ECLI:NL:RBNNE:2026:747, Rechtbank Noord-Nederland, 11-03-2026, LEE 24/2489 — RBNNE:2026:747
Samenvatting
Weigering toestemming voor het takelen van boten in en uit het Prinses Margrietkanaal Eiser huurt een perceel aan het Prinses Margrietkanaal (kanaal) en drijft daar een watersportbedrijf. Het kanaal maakt onderdeel uit van de Hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl. Op 6 februari 2023 is eiser begonnen met werkzaamheden om de bestaande damwand op het perceel langs het kanaal te verstevigen. Een handhaver heeft eiser erop gewezen dat voor deze werkzaamheden een vergunning is vereist. Eiser heeft daarna een aanvraag ingediend voor het verlenen van een vergunning op grond van de Waterwet voor het verstevigen van de damwand. De minister heeft die vergunning aan eiser verleend. De minister heeft daarna eiser meegedeeld dat eiser voor het in- en uittakelen van boten op grond van het Binnenvaartpolitiereglement (Bpr) geen toestemming krijgt. De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat minister onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat de minister pas na de aanleg van de kade en na het verlenen van de watervergunning, de toestemming voor het in- en uittakelen van boten heeft geweigerd. Vóór zijn werkzaamheden aan de damwand en vóór de aanvraag van de watervergunning is eiser geïnformeerd over de onmogelijkheid om zijn takelactiviteiten uit te voeren. Daar komt bij dat eiser zonder vergunning is gestart met de werkzaamheden aan zijn damwand en na een bezoek van een handhaver een watervergunning heeft aangevraagd en gekregen. Hieruit mocht eiser niet afleiden dat aan hem ook toestemming zou worden verleend voor het in- en uittakelen van boten uit het water. De rechtbank is met de minister van oordeel dat het in en uit het water takelen van boten bij eisers perceel de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar kan brengen. Het staat vast dat eisers perceel in de uitloop van een bocht in het kanaal ligt. Ook is tussen partijen niet in geschil dat het kanaal ter hoogte van eisers perceel smaller is dan verderop op het kanaal. Dit betekent dat het vaarwegprofiel bij eisers perceel dichter langs de damwand ligt en dat de boten die daar in en uit het water worden getakeld in de vaarweg komen te liggen. Verder staat vast dat het kanaal onder meer door grote binnenvaartschepen wordt gebruikt, die voor golfslag en een zuigende werking op het kanaal kunnen zorgen. Gelet op die feiten en omstandigheden is voldoende aannemelijk dat boten die eiser in en uit het water wil takelen de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart op het kanaal in gevaar kunnen brengen. De boten die eiser wil takelen hebben vóór het uittakelen en na het intakelen namelijk ligplaats in het kanaal. Het gevaar bestaat ongeacht hoe lang de boten die ligplaats innemen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de invloed van de damwand van zijn buurman op de scheepvaart te vergelijken is met het in en uit het water takelen van boten bij eisers perceel. Daarnaast is de invloed van het aangemeerde binnenvaartschip op de scheepvaart ook niet vergelijkbaar met de takelactiviteiten van eiser. Gelet op het voorgaande, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van onzorgvuldige besluitvorming. De minister heeft naar de situatie ter plaatse gekeken en deugdelijk gemotiveerd waarom de toestemming is geweigerd. De minister heeft ook niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om toestemming met voorschriften te verlenen. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is voldoende aannemelijk dat de belangen van de scheepvaart door het verbinden van voorschriften aan een toestemming in dit geval niet voldoende worden beschermd. De rechtbank is voorts van oordeel dat de weigering om aan eiser toestemming te verlenen niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister in de besluitvorming onvoldoende gewicht heeft toegekend aan zijn belangen bij het in- en uittakelen van boten bij zijn perceel. Vóór de werkzaamheden aan eisers damwand heeft Rijkswaterstaat al met eiser overlegd over de mogelijkheden voor het in- en uittakelen van boten. Dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van die mogelijkheden, zoals een helling of een insteekhaven, kan de minister niet worden tegengeworpen. De minister mocht verder zwaar gewicht toekennen aan de mogelijke gevaren van het in- en uittakelen van boten bij eisers perceel voor de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart op het kanaal. Dat eiser kosten heeft gemaakt om de kade geschikt te maken voor zijn takelactiviteiten en de kade nu niet kan gebruiken, maakt de weigering om toestemming te geven niet onevenredig. Zoals eerder overwogen, is eiser zonder watervergunning en zonder toestemming voor het in- en uittakelen van boten begonnen met het aanpassen van de damwand voor zijn bedrijfsvoering. De vergunning op grond van de Waterwet heeft bovendien een ander beoordelingskader dan de toestemming op grond van het Bpr. De vergunning en de toestemming dienen andere doelen en belangen. Het feit dat eiser de watervergunning kreeg, doet daarom geen afbreuk aan de beoordeling die de minister in het kader van het Bpr moest maken. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Betrokken advocaten
mr. M.G. Oosterkamp
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBZWB:2026:4, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13-01-2026, 24/91
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RVS:2025:6389, Raad van State, 24-12-2025, 202400094/1/R3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:6914, Rechtbank Midden-Nederland, 24-12-2025, UTR 24/4299
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RVS:2025:5962, Raad van State, 10-12-2025, 202307173/1/R4
Raad van State · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
11 maart 2026
Instantie
Rechtbank Noord-NederlandRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
LEE 24/2489
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:747