Vader veroordeeld voor stalking en bedreiging eigen dochter — RBNNE:2026:970
bedreiging en stalking (familierelatie)
Eiser / verzoeker
Openbaar ministerie
Verweerder / gedaagde
Verdachte
Verdachte veroordeeld voor bedreiging (feit 1) en stalking (feit 2); vrijgesproken van de bedreiging van een tweede slachtoffer (feit 3); de strafmaat is niet volledig in de uitspraak opgenomen.
- Verdachte stuurde zijn uit huis geplaatste dochter meer dan 200 berichten per dag met intimiderende, dreigende en kwetsende inhoud — rechtbank kwalificeert dit als stelselmatige inbreuk op persoonlijke levenssfeer (belaging, art. 285b Sr).
- Wederkerigheid van contact is geen vrijwaringgrond voor stalking: de schaarse en korte reacties van de dochter doen niet af aan het belastende karakter van het door de verdachte in stand gehouden contactpatroon.
- De bedreiging ('Jij gaat dood, dat staat dan vast') acht de rechtbank naar haar aard reeds zonder meer geschikt om vrees op te wekken, mede gezien de al langdurig gespannen relatie en de kwetsbare positie van de dochter.
- Vrijspraak voor feit 3 (bedreiging tweede slachtoffer in Utrecht) wegens onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster.
- De rechtbank oordeelt dat stalking ook strafbaar is als de betrokkene niet vooraf kenbaar heeft gemaakt geen contact te willen.
Samenvatting
Een man uit Noord-Nederland stond terecht omdat hij zijn eigen dochter had bedreigd en gestalkt. De zaak draaide om een periode in oktober 2025, waarin de verhouding tussen vader en dochter al lange tijd ernstig was verstoord. De dochter woonde niet meer thuis — ze was eerder in 2025 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst — en haar vader probeerde haar met alle middelen te dwingen terug te komen.
In de periode van 22 tot en met 31 oktober 2025 stuurde de verdachte zijn dochter meer dan tweehonderd berichten per dag, van vroeg in de ochtend tot diep in de nacht. De inhoud varieerde sterk: van smekend en wanhopig tot intimiderend, dwingend en ronduit kwetsend. Zo schreef hij haar onder meer dat ze het 'smerigste hart had dat de mensheid ooit kende', vergeleek hij haar met een ezel die werd opgegeten door leeuwen, en dreigde hij cryptisch met goddelijke wraak. De verdachte erkende ter zitting dat hij meer dan tweehonderd berichten had gestuurd, met als doel zijn dochter naar huis te krijgen.
Op 28 oktober 2025 escaleerde de situatie. In een telefoongesprek zei de verdachte tegen zijn dochter: 'Jij gaat dood, dat staat dan vast, maar wie gaat dan naar de gevangenis? Of twee van je broers, of ik en één van jouw broers of je vader, of misschien we allemaal.' De man erkende deze woorden te hebben uitgesproken en verklaarde ter zitting zelf dat wat hij had gezegd gevaarlijk was en dat een meisje zoiets niet van haar vader mag horen.
De verdediging betoogde dat de bedreiging voortkwam uit een emotionele opwelling en dat de berichten geen strafbare stalking opleverden, omdat het contact deels wederzijds was — de dochter reageerde soms ook. De rechtbank verwierp dit verweer. Volgens de rechters bevond de dochter zich in een kwetsbare positie tegenover haar vader, reageerde zij in het overgrote deel van de gevallen niet, en kwamen de weinige reacties die zij stuurde zo kort neer dat die niet als wezenlijk contact konden worden aangemerkt. Bovendien wist de verdachte dat zijn dochter niet meer thuis woonde en dat de relatie ernstig verstoord was.
Ten aanzien van een derde tenlastelegging — de bedreiging van een andere vrouw in Utrecht in juli 2025, waarbij de verdachte via zijn dochter zou hebben gedreigd dat een zekere 'naam 1' haar zou vermoorden — sprak de rechtbank de verdachte vrij wegens gebrek aan voldoende steunbewijs.
De rechtbank achtte bedreiging en stalking wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde de man tot een gevangenisstraf. De derde tenlastelegging leverde een vrijspraak op bij gebrek aan bewijs.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNNE:2026:185, Rechtbank Noord-Nederland, 27-01-2026, 18.122483.24
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:RBNNE:2026:21, Rechtbank Noord-Nederland, 08-01-2026, 18.285304.23
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:5493, Rechtbank Noord-Nederland, 23-12-2025, 18/370775-24
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:5159, Rechtbank Noord-Nederland, 16-12-2025, 18.269646.23
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Materieel Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Noord-NederlandRechtsgebied
Strafrecht; Materieel StrafrechtZaaknummer
18/292610-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:970