ECLI:NL:RBOBR:2019:6943, Rechtbank Oost-Brabant, 04-12-2019, C/01/342222 / HA ZA 19-44 — RBOBR:2019:6943
Samenvatting
Contradictoir. uitleg samenlevingsovereenkomst, is overeenkomst geëindigd door overlijden of door feitelijke beëindiging. De overeenkomst is (zie artikel 9 aanhef) aangegaan voor de periode gedurende welke de gemeenschappelijke huishouding van partijen voortduurt. Uitgaande van de letterlijke tekst van voornoemd artikel 9 onder b eindigt de overeenkomst als: - partijen deze in gezamenlijk overleg feitelijk hebben beëindigd en - partijen zijn overgegaan tot verdeling van hun gezamenlijke goederen. Het feitelijk hebben beëindigd van de overeenkomst kan, zo staat in artikel 9 onder b, blijken door het zich elders vestigen van één der partijen. Uit het gebruik van het woord “kan” volgt dat dit geen limitatieve opsomming is, zodat ook andere feiten en omstandigheden tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de overeenkomst feitelijk is beëindigd. Uit de tekst van artikel 9, aanhef en onder b volgt dat de overeenkomst eerst is geëindigd als aan beide in dit artikel genoemde voorwaarden is voldaan. De rechtbank constateert voorts dat er een verschil is tussen de beëindiging van de overeenkomst door opzegging (artikel 9 onder a) en de beëindiging van de overeenkomst op grond van artikel 9 onder b. In het geval van opzegging eindigt de overeenkomst eenzijdig, op een duidelijk moment, namelijk aan het einde van de in acht te nemen opzegtermijn van ten minste een maand. In het geval van het einde van de overeenkomst op grond van artikel 9 onder b is sprake van een stilzwijgende beëindiging die uit de feiten en omstandigheden moet worden afgeleid en waarbij ook de financiële kant van de samenleving en de gemeenschappelijkheid moet zijn afgewikkeld. Zoals hiervoor al overwogen is de samenlevingsovereenkomst gesloten tegen de achtergrond van een affectieve relatie en zagen de gemaakte afspraken op het regelen van de onderlinge vermogensrechtelijke verhouding. Uit de in de overeenkomst vastgelegde morele verzorgingsplicht (pagina 1) leidt de rechtbank af dat de contractanten hierbij oog hadden en wilden hebben voor elkaars belangen. In de samenlevingsovereenkomst zijn zowel afspraken gemaakt over de situatie waarin één van de contractanten de overeenkomst niet meer zou willen voortzetten (de opzegging ingevolge artikel 9 onder a) als over de situatie waarin beide contractanten meewerkten aan de beëindiging van de overeenkomst (het feitelijk beëindigen in onderling overleg - artikel 9 onder b). Als één van de contractanten de overeenkomst wilde beëindigen, dan was dat mogelijk, de andere contractant kon dat niet tegenhouden, maar dan moest wel aan de andere contractant duidelijk worden gemaakt dat de overeenkomst zou gaan eindigen, wanneer deze zou eindigen en diende een opzegtermijn te worden gehanteerd om de ander in de gelegenheid te stellen zich aan te passen aan de gewijzigde situatie. Erflater heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid om de overeenkomst te beëindigen. In de samenlevingsovereenkomst is ook de mogelijkheid opgenomen dat beide contractanten de overeenkomst in onderling overleg (al dan niet gevoelsmatig gedwongen door de veranderde gevoelens van de ander) beëindigen. De overeenkomst eindigt dan, zo staat in artikel 9 onder c, als zij deze overeenkomst feitelijk hebben beëindigd én als zij zijn overgegaan tot verdeling van de gezamenlijke goederen. Dit komt er op neer dat de overeenkomst eindigt als de contractanten definitief niet meer bij elkaar wonen én hun financiële banden hebben beëindigd. In het midden latend of erflater zich daadwerkelijk elders heeft gevestigd, is in ieder geval niet aan de tweede in artikel 9 onder b gestelde voorwaarde voor beëindiging van de overeenkomst voldaan. Erflater en gedaagde waren immers nog niet overgegaan tot de verdeling van hun gezamenlijke goederen. De gemeenschappelijke woning was wel verkocht, maar nog niet geleverd, er lag een voorstel van erflater over de wijze waarop de overwaarde van de woning diende te worden verdeeld, welk voorstel (nog) niet door gedaagde was geaccepteerd, er was nog geen afspraak gemaakt over de verdeling van de inboedel. Voorts was nog steeds een gezamenlijke bankrekening, van waaruit, zo stelt gedaagde onweersproken, de woonlasten en diverse verzekeringen overeenkomstig de in de samenlevingsovereenkomst opgenomen verdeelsleutel werden betaald, namelijk 2/3e deel door erflater en 1/3e deel door gedaagde. Met betrekking tot deze woonlasten hebben gedaagde en erflater zich gedragen alsof de overeenkomst nog niet was geëindigd. Immers, zij waren ieder voor de helft eigenaar van de woning en zouden, nadat de overeenkomst zou zijn geëindigd, ieder de helft van de aan de woning verbonden kosten dienen te betalen. Uit deze omstandigheden volgt dat erflater en gedaagde op het moment van overlijden van erflater nog steeds gezamenlijke financiële verplichtingen en gezamenlijke eigendommen hadden en weliswaar waren begonnen met de loskoppeling en verdeling daarvan, maar dat nog niet hadden afgerond.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBGEL:2025:5776, Rechtbank Gelderland, 10-07-2025, C/05/451875 / KG ZA 25-154
Rechtbank Gelderland · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBNHO:2024:4759, Rechtbank Noord-Holland, 10-04-2024, C/15/335345/ HA ZA 23-4
Rechtbank Noord-Holland · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBOVE:2022:611, Rechtbank Overijssel, 28-02-2022, C/08/275819 / KG ZA 22-6
Rechtbank Overijssel · Civiel Recht; Aanbestedingsrecht
ECLI:NL:RBGEL:2021:3349, Rechtbank Gelderland, 30-06-2021, C/05/359612 / HZ ZA 19-51
Rechtbank Gelderland · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
4 december 2019
Instantie
Rechtbank Oost-BrabantRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
C/01/342222 / HA ZA 19-44
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2019:6943