ECLI:NL:RBOBR:2022:1236, Rechtbank Oost-Brabant, 04-04-2022, 21/770 — RBOBR:2022:1236
Samenvatting
Het UWV heeft geweigerd eiseres een compensatie te verstrekken van de door haar aan de werknemer betaalde transitievergoeding. Eiseres heeft de arbeidsovereenkomst namelijk beëindigd voordat de termijn was verstreken waarin het opzegverbod wegens ziekte gold (dat is een periode van twee jaar, zoals is genoemd in artikel 7:670, eerste en elfde lid, van het BW). Hiermee is dus niet voldaan aan een van de voorwaarden voor compensatie van de betaalde transitievergoeding, zoals is opgenomen in artikel 7:673e eerste lid, aanhef en onder a, van het BW. De tekst van dit artikel is duidelijk. Artikel 7:673e van het BW is een dwingendrechtelijke bepaling. Het gaat hier bovendien om een wet in formele zin. Dan vindt geen toetsing plaats van de innerlijke waarde of de billijkheid noch aan algemene rechtsbeginselen. Dit neemt niet weg dat als sprake is van bijzondere omstandigheden waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit is het geval als niet verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven. Onduidelijk is hoe de wetgever denkt over een situatie als hier aan de orde, waarin juist in het belang van de werknemer het dienstverband binnen de periode van het opzegverbod is beëindigd en de werkgever het salaris voor de resterende periode van het opzegverbod op de beëindigingsdatum heeft gekapitaliseerd en aan de werknemer heeft betaald. Dit kan echter in het midden blijven. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de toepassing van artikel 7:673e van het BW in haar situatie ernstige strijd oplevert met algemene rechtsbeginselen of ongeschreven recht, die leidt tot schrijnende of onaanvaardbare omstandigheden voor eiseres. Bovendien is eiseres, zo heeft haar gemachtigde verklaard ter zitting, ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, waarbij zij ervoor heeft gekozen het salaris te kapitaliseren, er niet vanuit gegaan dat zij een compensatie van het UWV zou ontvangen. De compensatieregeling is immers ruimschoots na de datum van de vaststellingsovereenkomst ingegaan.
Betrokken advocaten
mr. R. Boonstra
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBOBR:2026:57, Rechtbank Oost-Brabant, 09-01-2026, 25/1101
Rechtbank Oost-Brabant · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBLIM:2025:11746, Rechtbank Limburg, 28-11-2025, ROE 24/4563
Rechtbank Limburg · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBOBR:2025:6071, Rechtbank Oost-Brabant, 03-10-2025, 25/1187
Rechtbank Oost-Brabant · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBLIM:2025:5124, Rechtbank Limburg, 28-05-2025, ROE 23/2020
Rechtbank Limburg · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
4 april 2022
Instantie
Rechtbank Oost-BrabantRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
21/770
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2022:1236