Dienst Toeslagen terecht ex-partner als fiscaal partner aangemerkt — RBOBR:2026:1922
toeslagen / partnerbegrip / zorgtoeslag en kindgebonden budget
Eiser / verzoeker
eiser (naam niet vermeld)
Verweerder / gedaagde
Dienst Toeslagen
Beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaard; zorgtoeslag 2022 blijft vastgesteld op €0 en kindgebonden budget op €124, maar Dienst Toeslagen moet wel €51 griffierecht en €1.868 proceskosten vergoeden.
- Een gehuwde echtgenoot geldt wettelijk als toeslagpartner zolang er geen scheiding van tafel en bed of echtscheidingsverzoek is en beiden op hetzelfde adres staan ingeschreven in de BRP.
- Het begrip 'duurzaam gescheiden leven' bestaat niet in de Algemene wet inzake rijksbelastingen; de beoordeling door de SVB voor de AOW heeft geen betekenis voor de toeslagenberekening.
- Artikel 5a Awr is een dwingende bepaling in een formele wet en kan niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel of buiten toepassing worden gelaten op grond van bijzondere omstandigheden.
- De hoorplicht is niet geschonden: na twee uitnodigingen reageerde de gemachtigde niet op de vraag of hij gehoord wilde worden.
- Ondanks ongegrond beroep moet de Dienst Toeslagen griffierecht (€51) en proceskosten (€1.868) vergoeden, omdat de dienst pas in beroep de aanvragen inhoudelijk heeft behandeld.
Samenvatting
Een man die al sinds 2020 feitelijk gescheiden leefde van zijn toenmalige echtgenote, had geen recht op zorgtoeslag en een beperkt kindgebonden budget over 2022. Dat oordeelde de Rechtbank Oost-Brabant. De kern van het geschil draaide om de vraag of de vrouw terecht als zijn toeslagpartner was aangemerkt — wat grote gevolgen had voor de hoogte van de toeslagen.
De man verzocht de Dienst Toeslagen om zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2022 alsnog uit te keren. Zijn vrouw woonde naar eigen zeggen al vanaf juli 2020 niet meer bij hem in, en de Sociale Verzekeringsbank kende hem al vanaf augustus 2020 een AOW-uitkering toe op basis van de 'ongehuwdennorm' — met andere woorden: de SVB behandelde hem al als duurzaam gescheiden. De echtscheiding zelf werd echter pas op 30 maart 2023 officieel uitgesproken, en in 2022 stond de vrouw nog ingeschreven op hetzelfde adres in de Basisregistratie Personen.
De Dienst Toeslagen stelde de zorgtoeslag over 2022 definitief vast op nul euro, omdat het gezamenlijk toetsingsinkomen van man en vrouw te hoog was. Het kindgebonden budget werd vastgesteld op slechts 124 euro. De man maakte bezwaar en beroep, en stelde dat de feitelijke woonsituatie bepalend moest zijn.
De rechtbank gaat daarin niet mee. Volgens de wet geldt een echtgenoot automatisch als toeslagpartner, tenzij er sprake is van scheiding van tafel en bed of een ingediend echtscheidingsverzoek, gecombineerd met een ander inschrijvingsadres in de BRP. Aan geen van die voorwaarden was in 2022 voldaan. Het feit dat de SVB de man als duurzaam gescheiden beschouwde, maakt geen verschil: de Algemene wet inzake rijksbelastingen kent het begrip 'duurzaam gescheiden leven' simpelweg niet, en het gaat om een andere wet met een eigen beoordelingskader.
De man voerde ook aan dat de strikte wettelijke regel buiten toepassing moest blijven vanwege zijn bijzondere situatie — het mediationtraject had lang geduurd waardoor het echtscheidingsverzoek pas in 2023 kon worden ingediend. De rechtbank wijst dit af. Artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is een dwingende bepaling in een formele wet en kan niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Bovendien heeft de wetgever bewust gekozen voor een objectief partnerbegrip, juist om eenduidige uitvoering mogelijk te maken. De situatie van de man is daarmee precies het type geval dat de wetgever voor ogen had — geen omstandigheid die de wetgever over het hoofd heeft gezien.
Ook de klacht dat de man ten onrechte niet was gehoord in de bezwaarprocedure, slaagt niet. De Dienst Toeslagen had de gemachtigde tweemaal per e-mail uitgenodigd om mondeling zijn standpunt toe te lichten, maar de gemachtigde reageerde niet op de vraag of hij daarvan gebruik wilde maken. De Dienst Toeslagen mocht er daardoor vanuit gaan dat de man afzag van het hoorrecht.
Het beroep tegen het eerste besluit op bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat dat besluit inmiddels was vervangen door een herzien besluit. Het beroep tegen dat herziene besluit werd ongegrond verklaard: de zorgtoeslag blijft vastgesteld op nul euro en het kindgebonden budget op 124 euro. Omdat de Dienst Toeslagen tijdens de beroepsprocedure alsnog de aanvragen inhoudelijk heeft behandeld, moet de dienst wel het griffierecht van 51 euro terugbetalen en een proceskostenvergoeding van 1.868 euro betalen aan de man.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBOBR:2026:230, Rechtbank Oost-Brabant, 16-01-2026, 25/1174
Rechtbank Oost-Brabant · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RBMNE:2026:45, Rechtbank Midden-Nederland, 12-01-2026, UTR 24/5788-V
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:6206, Raad van State, 18-12-2025, 202405156/1/V3
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBOBR:2025:8086, Rechtbank Oost-Brabant, 12-12-2025, 24/4377 en 25/31
Rechtbank Oost-Brabant · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
25 maart 2026
Instantie
Rechtbank Oost-BrabantRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
24/4016
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:1922