Juristi.nl
ECLI:NL:RBOBR:2026:2080Strafrecht

Schilder vrijgesproken van faillissementsfraude na misleiding door partner — RBOBR:2026:2080

faillissementsdelicten / bedrieglijke bankbreuk / bestuurdersverantwoordelijkheid

Eiser / verzoeker

Officier van justitie

VS

Verweerder / gedaagde

Verdachte (schilder, bestuurder van failliet schildersbedrijf)

Verdachte vrijgesproken van alle drie de tenlastegelegde faillissementsdelicten wegens gebrek aan bewijs voor opzet

  • Bedrieglijke bankbreuk vereist minimaal voorwaardelijk opzet; verdachte moet aanmerkelijke kans op benadeling schuldeisers bewust hebben aanvaard
  • Rechtbank acht aannemelijk dat de partner de financiële problemen en overboekingen (€127.933) bewust voor verdachte verborgen hield en hierover loog
  • Verdachte vrijgesproken van feit 1 (onttrekking boedel) omdat opzet niet bewezen is voor de periode vóór het faillissement
  • Verdachte vrijgesproken van feiten 2 en 3 (niet verstrekken administratie en weigeren inlichtingen) omdat post en verzoeken van de curator niet bij hem terechtkwamen
  • Formeel bestuurderschap sluit verweer op basis van ontbreken feitelijke betrokkenheid niet uit indien misleiding aannemelijk is gemaakt

Samenvatting

Een schilder uit Waalwijk stond terecht voor drie feiten van faillissementsfraude in verband met de faillissementen van zijn twee schildersbedrijven. Hij werd ervan verdacht geld aan de boedel te hebben onttrokken, de administratie niet aan de curator te hebben verstrekt en geweigerd te hebben inlichtingen te geven. De FIOD had uitgebreid onderzoek gedaan naar de faillissementen van zijn vennootschappen, die begin 2021 en eind 2021 failliet gingen.

De verdachte had zijn bedrijven in 2020 opgericht om een bestaand schildersbedrijf over te nemen. Zijn toenmalige partner verzorgde de volledige boekhouding en administratie van de vennootschappen, zoals zij dat eerder ook voor zijn eenmanszaak had gedaan. Uit de bankgegevens bleek dat in de periode voorafgaand aan het faillissement aanzienlijke bedragen waren overgemaakt van de zakelijke rekening naar de privérekening van de partner — in totaal ruim 127.000 euro — zonder dat daarvoor een zakelijke verplichting bestond.

De verdediging stelde dat de partner volledig verantwoordelijk was voor de financiën en de administratie, en dat zij de financiële problemen bewust had verborgen gehouden voor de verdachte. Zij zou zelfs gelogen hebben over de stand van zaken en post van de curator achtergehouden hebben, waardoor de verdachte niet wist dat hij verwacht werd bij verhoren.

De rechtbank oordeelde dat voor bedrieglijke bankbreuk minimaal voorwaardelijk opzet vereist is: de verdachte moet de aanmerkelijke kans op benadeling van schuldeisers bewust hebben aanvaard. Voor de periode vóór het eerste faillissement concludeerde de rechtbank dat de verdachte niet op de hoogte was van de nijpende financiële situatie en de overboekingen. Zowel de partner als de verdachte zelf hadden ter zitting verklaard dat zij de problemen voor hem had verborgen gehouden en hierover had gelogen. De rechtbank zag geen reden hieraan te twijfelen.

Ook voor het niet aanleveren van de administratie en het weigeren van inlichtingen aan de curator oordeelde de rechtbank dat niet kon worden bewezen dat de verdachte daadwerkelijk wist van de verzoeken van de curator. De post en e-mails kwamen bij de partner terecht, die ze niet doorgaf. De rechtbank sprak de verdachte vrij van alle drie de tenlastegelegde feiten.

Betrokken advocaten

raadsman (naam niet vermeld)

verdachte

Gegevens

Datum uitspraak

7 april 2026

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

82/022847/25

Procedure

Eerste aanleg - meervoudig

ECLI

ECLI:NL:RBOBR:2026:2080

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Man rijdt in op slachtoffer in Eindhoven, cel en rijverbod
Rechtbank Oost-Brabant·7 april 2026
Strafrecht
Helmondse man veroordeeld voor wapenbezit, drugs en fietsendiefstal
Rechtbank Oost-Brabant·3 april 2026
Strafrecht
Verdachte schuldig aan drugs en witwassen in Udense woning
Rechtbank Oost-Brabant·2 april 2026
Strafrecht