ECLI:NL:RBROT:2020:1064, Rechtbank Rotterdam, 05-02-2020, C/10/520361 / HA ZA 17-148 — RBROT:2020:1064
Samenvatting
De Marokkaanse rechter heeft de vervrachter jegens de derde-cognossementhouder aansprakelijk gehouden voor ladingschade op grond van de Hamburg Rules. Kern van het geschil is de vraag of naar Engels recht de bevrachter de vervrachter hiervoor moet vrijwaren. Volgens de vervrachter is dat het geval (impliciet) op grond van clausule 9 van de op de reisbevrachtingsovereenkomst van toepassing zijnde GENCON (1976) en omdat de lading kwalificeert als “dangerous cargo”, nu de oorzaak van de brand is gelegen in de te natte conditie van de lading bij inlading waardoor zelfontbranding heeft plaatsgevonden. Volgens de bevrachter is dat niet het geval, omdat het aansprakelijkheidsregime onder de reisbevrachtingsovereenkomst voor ladingschadevorderingen onder het cognossement is neergelegd in clausule 2 jo clausule 9 van de GENCON (1976), de GENCON (1976) de vervrachter geen recht van regres toekent en Engels recht in het algemeen geen regresrecht kent zonder specifieke contractsbepaling. Verder is het volgens de bevrachter niet redelijk dat de bevrachter de vervrachter zou moeten vrijwaren voor ladingschade die is ontstaan door de fout van de kapitein en de bemanning van het schip. De oorzaak van de schade is volgens de bevrachter het aan laten staan van een ruimlamp door een bemanningslid. De rechtbank gaat voorbij aan de onvoldoende onderbouwde stelling van de vervrachter dat zelfontbranding de oorzaak is van de schade. De rechtbank neemt verder tot uitgangspunt dat naar Engelse recht de rechtsbetrekking tussen de reisvervrachter en de reisbevrachter wordt beheerst door de reisbevrachtingsovereenkomst en niet door het cognossement, tenzij in de reisbevrachtingsovereenkomst is bedongen dat de cognossementsbepalingen voor gaan, wat in het onderhavige geval niet zo is. Clausule 9 van de GENCON (1976) ziet op vrachtkosten en niet op aansprakelijkheid van de scheepseigenaar. De GENCON (1994) bevatten wel een clausule ten aanzien van “(Congenbill) Bills of Lading” op grond waarvan de bevrachter de vervrachter vrijwaart voor aansprakelijkheid voor ladingschade uit hoofde van het cognossement, wanneer deze aansprakelijkheid groter is dan die onder de reisbevrachtingsovereenkomst, waarin bijvoorbeeld de bescherming van clausule 2 van de GENCON is opgenomen. Partijen zijn echter de GENCON (1976) overeengekomen. De vraag of clausule 9 van de GENCON (1976) impliciet leidt tot vrijwaring door de bevrachter van de vervrachter is naar Engels recht geen uitgemaakte zaak, maar hangt af van de omstandigheden van het geval en van wat partijen contractueel hebben vastgelegd: “The starting point for the construction of any contract is the underlying principle that the Courts and Tribunal must give effect to the objective intention of the parties in light of the words used in light of the material factual matrix.(…)”. De enkele omstandigheid dat op verzoek van de bevrachter een cognossement is uitgegeven en de vervrachter op grond van de Hamburg Rules wel aansprakelijk is jegens de derde-cognossementhouder (de klant van de bevrachter) voor schade aan de lading, ontstaan door brand die is veroorzaakt door het aan laten staan van een ruimlamp door een bemanningslid, maakt niet dat de bevrachter dan automatisch de vervrachter daarvoor moet vrijwaren. Omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat partijen dat bij het sluiten van de overeenkomst wel voor ogen hadden, zijn gesteld noch gebleken. De vervrachter wist, althans behoorde te weten dat er een cognossement werd uitgegeven, dat de Hamburg Rules dwingendrechtelijk van toepassing zijn wanneer de loshaven in Marokko ligt en dat dan het risico bestaat van aansprakelijkheid voor ladingschade jegens de derde-cognossementhouder. Als de vervrachter zou hebben gewild dat de bevrachter haar daarvoor zou vrijwaren, dan had zij dat expliciet aan de bevrachter duidelijk moeten maken en zich ervan moeten hebben vergewissen dat de bevrachter daarmee akkoord ging. Uit de omstandigheid dat partijen de GENCON (1976) van toepassing hebben verklaard op de reisbevrachtingsovereenkomst, moet juist worden afgeleid dat partijen een dergelijke vergaande vrijwaring niet voor ogen hadden. Een dergelijke vrijwaring zou eerder aangenomen kunnen worden bij tijdbevrachting, waarbij de scheepseigenaar zijn kapitein onder de volledige zeggenschap van de bevrachter plaatst en redelijk is dat de bevrachter in ruil daarvoor vrijwaring aanbiedt voor aansprakelijkheden waaraan de bevrachter de scheepseigenaar blootstelt.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2025:6155, Rechtbank Rotterdam, 21-05-2025, C/10/682182 / HA ZA 24-590
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBGEL:2024:1799, Rechtbank Gelderland, 26-03-2024, 432293
Rechtbank Gelderland · Civiel Recht; Internationaal Privaatrecht
ECLI:NL:RBROT:2022:9976, Rechtbank Rotterdam, 16-11-2022, C/10/582104 / HA ZA 19-850
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBROT:2021:10732, Rechtbank Rotterdam, 03-11-2021, C/10/560047 / HA ZA 18-960
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
5 februari 2020
Instantie
Rechtbank RotterdamRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
C/10/520361 / HA ZA 17-148
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2020:1064