ECLI:NL:RBROT:2024:4326, Rechtbank Rotterdam, 30-04-2024, 10-241453-23 / 24-000237 (530 Sv) — RBROT:2024:4326
Samenvatting
De rechtbank heeft geoordeeld dat bij een schadevergoedingszaak waarin een derde de ten behoeve van de verzoeker gemaakte kosten van rechtsbijstand heeft betaald, (als zodanig) niet in de weg staat aan een vergoeding van deze kosten aan de verzoeker op basis van artikel 530 Sv. Uitgangspunt bij de onderhavige beoordeling is dat de Staat in beginsel de kosten moet dragen die voortvloeien uit een – achteraf gebleken – onvoldoende onderbouwde strafvervolging. Dit neemt niet weg dat de rechter feitelijke omstandigheden bij een hiertoe strekkend verzoek kan meewegen in zijn oordeel of in een concreet geval gronden van billijkheid bestaan om de gestelde schade geheel of gedeeltelijk aan de verzoeker te vergoeden. Anders dan door de officier van justitie is aangevoerd, ziet de rechtbank in de omstandigheid dat door de verzoeker geen schriftelijke bewijsstukken zijn overgelegd van de bedoelde afspraken met zijn werkgever, geen doorslaggevende grond om af te wijken van het reeds genoemde uitgangspunt dat de door de verzoeker gevorderde kosten in beginsel voor rekening komen van de Staat. Het door de raadsvrouw ingenomen algemene standpunt dat op basis van de door haar aangehaalde jurisprudentie “het niet uitmaakt door wie de advocatenkosten zijn gedragen” deelt de rechtbank niet. Op basis van de aanvullende informatie die is verschaft door de raadsvrouw, waaruit blijkt dat de verzoeker op basis van een mondelinge afspraak gehouden is om een vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten goede te brengen aan zijn werkgever, acht de rechtbank dat er gronden van billijkheid aanwezig zijn voor een vergoeding van kosten van rechtsbijstand.
Betrokken advocaten
mr. N. van der Meij
verzoeker
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2025:8290, Rechtbank Rotterdam, 10-07-2025, 10/217464-22
Rechtbank Rotterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:2591, Rechtbank Rotterdam, 11-02-2025, 83-281523-24
Rechtbank Rotterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBROT:2024:3974, Rechtbank Rotterdam, 24-04-2024, 10-019604-23
Rechtbank Rotterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBROT:2023:10627, Rechtbank Rotterdam, 05-10-2023, 10-994622-16
Rechtbank Rotterdam · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 april 2024
Instantie
Rechtbank RotterdamRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
10-241453-23 / 24-000237 (530 Sv)
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2024:4326