Rechter spreekt echtscheiding uit na kinderontvoering naar Turkije — RBROT:2026:3490
echtscheiding / internationale kinderontvoering / ouderlijk gezag en verblijfplaats kind
Eiser / verzoeker
de vrouw
Verweerder / gedaagde
de man
De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, stelt de hoofdverblijfplaats van de dochter bij de vrouw vast en legt een tijdelijke zorgregeling op met wekelijks videocontact en vakanties bij de vrouw op kosten van de man.
- Het in Turkije gesloten huwelijk wordt erkend in Nederland op grond van artikel 10:31 BW, waardoor de echtscheiding kan worden uitgesproken.
- De rechtbank stelt vast dat sprake is van ongeoorloofde niet-terugkeer (kinderontvoering) omdat de man de dochter zonder toestemming van de vrouw in Turkije houdt, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd blijft.
- De vrouw had ten tijde van het vertrek mede het gezag over de dochter, zowel naar Turks als naar Nederlands recht, omdat het kind binnen het huwelijk is geboren.
- De hoofdverblijfplaats van de dochter wordt bij de vrouw bepaald; zolang het kind nog in Turkije verblijft geldt een tijdelijke zorgregeling met wekelijks videocontact en vakanties bij de vrouw op kosten van de man.
- Het ontbreken van een ouderschapsplan leidt niet tot niet-ontvankelijkheid, omdat het voor de vrouw redelijkerwijs onmogelijk was een gezamenlijk plan te overleggen.
Samenvatting
Een vrouw uit Nederland vroeg de rechtbank Rotterdam om de echtscheiding uit te spreken van haar man, die in Turkije woont. Het koppel — beiden met de Bulgaarse én de Turkse nationaliteit — was in Turkije getrouwd. De vrouw woont in Nederland, de man is na een zogenaamde vakantie met hun dochter niet meer teruggekeerd.
In februari 2023 vertrok de man met de gemeenschappelijke dochter — die in 2017 in Turkije werd geboren maar in Nederland woonde — naar Turkije. De vrouw had toestemming gegeven voor een vakantie, maar niet voor een permanent verblijf aldaar. De man keerde niet terug. Sindsdien verblijft het meisje ongeoorloofd in Turkije. De vrouw startte een teruggeleidingsprocedure in Turkije en vroeg ook bij de Nederlandse rechter om voorlopige voorzieningen. In augustus 2023 beval de rechtbank al dat de dochter aan de vrouw moest worden afgegeven, op straffe van een dwangsom. Desondanks is het kind nog steeds niet teruggekeerd.
De man verscheen niet bij de rechtszitting van januari 2026 en voerde ook verder geen verweer. De rechtbank moest eerst vaststellen of het in Turkije gesloten huwelijk in Nederland erkend kon worden. Dat bleek het geval: uit de huwelijksakte volgt dat het huwelijk rechtsgeldig is voltrokken, en er waren geen redenen om erkenning te weigeren.
Een belangrijk juridisch vraagstuk was of de Nederlandse rechter bevoegd was om te oordelen over de verblijfplaats en de zorgregeling voor de dochter. Dat hangt af van waar het kind haar gewone verblijfplaats heeft. De rechtbank stelde vast dat de dochter vóór het vertrek in Nederland woonde en dat haar verblijfplaats in Turkije als ongeoorloofd moet worden aangemerkt: de vrouw had nooit ingestemd met een permanent verblijf in Turkije, en er was ook geen rechterlijke toestemming gegeven. Daarmee is sprake van kinderontvoering in de zin van het internationale recht. Omdat de vrouw tijdig een teruggeleidingsprocedure heeft opgestart en niet heeft berust in de situatie, bleef de Nederlandse rechter bevoegd.
Ook de vraag of de vrouw het gezag had over de dochter ten tijde van het vertrek was relevant. De rechtbank stelde vast dat dit naar zowel Turks als Nederlands recht het geval was: kinderen die binnen een huwelijk worden geboren, vallen automatisch onder het gezamenlijk gezag van beide ouders. De vrouw had dus mede het gezag, en het vertrek zonder haar toestemming was dan ook in strijd met dat gezagsrecht.
Uiteindelijk sprak de rechtbank de echtscheiding uit en bepaalde dat de hoofdverblijfplaats van de dochter bij de vrouw is. Omdat de dochter nog steeds in Turkije verblijft, werd ook een tijdelijke regeling vastgesteld: wekelijks videocontact tussen moeder en kind, en vakanties bij de vrouw in Nederland op kosten van de man — dit geldt zolang de dochter nog niet feitelijk bij de vrouw woont.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:25811, Rechtbank Den Haag, 04-12-2025, C/09/673769 / FA RK 24-7258
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:26154, Rechtbank Den Haag, 28-10-2025, C/09/657365 / FA RK 23-8568
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:GHDHA:2025:875, Gerechtshof Den Haag, 30-04-2025, 200.353.029/01
Gerechtshof Den Haag · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:GHDHA:2025:636, Gerechtshof Den Haag, 25-02-2025, 200.350.214/01
Gerechtshof Den Haag · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank RotterdamRechtsgebied
Civiel Recht; Personen- En FamilierechtZaaknummer
C/10/660537 / FA RK 23-4441
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:3490