Juristi.nl

ECLI:NL:RBROT:2026:391, Rechtbank Rotterdam, 12-01-2026, ROT 24/3989 V — RBROT:2026:391

Samenvatting

Het verzet richt zich tegen het niet door de rechter vaststellen van de op grond van artikel 4:17 Awb verschuldigde dwangsom. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 22 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:724) onder verwijzing naar paragraaf 1.1 van de Circulaire Wet dwangsom en beroep geoordeeld dat een ingebrekestelling die per abuis een dag te vroeg is ingediend, door het bestuursorgaan wel als geldig kan worden beschouwd en dat een ingebrekestelling, die op de laatste dag van de beslistermijn door de naamvoorganger van de Dienst Toeslagen is ontvangen, en daarmee een dag te vroeg is ingediend door de dienst ten onrechte als prematuur is beschouwd. De rechtbank ziet aanleiding ook bij de toepassing van artikel 6:12 lid 2 onder b Awb tot eenzelfde oordeel te komen. Het beroep wegens niet tijdig is beslissen is op 5 februari 2024 ontvangen door de Rechtbank Den Haag. Omdat tenminste twee weken is gewacht met instellen van het beroep wegens niet tijdig beslissen te rekenen vanaf 16 januari 2024 is het rechtsmiddel niet prematuur. Het verzet is gegrond en de rechtbank doet opnieuw uitspraak met toepassing van artikel 8:54 Awb.

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

12 januari 2026

Zaaknummer

ROT 24/3989 V

Procedure

Verzet

ECLI

ECLI:NL:RBROT:2026:391

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBROT:2026:1941
Rechtbank Rotterdam·3 maart 2026
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
RBROT:2026:1539
Rechtbank Rotterdam·18 februari 2026
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
RBROT:2026:1341
Rechtbank Rotterdam·12 februari 2026
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
RBROT:2026:1144
Rechtbank Rotterdam·11 februari 2026
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
RBROT:2026:1019
Rechtbank Rotterdam·6 februari 2026
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht