Juristi.nl
ECLI:NL:RBSGR:2004:BI5048Civiel Recht

Pluimveehouder krijgt schadevergoeding voor mestrechten, maar veel minder dan gevorderd — RBSGR:2004:BI5048

onrechtmatige overheidsdaad / mestproductierechten / schadevergoeding

Eiser / verzoeker

Drie pluimveehouders (eisers sub 1, 2 en 3, waaronder de maatschap)

VS

Verweerder / gedaagde

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij)

De rechtbank wees een schadevergoeding toe van €6.018,50 in plaats van de gevorderde €30.915,60, omdat een groot deel van de schade niet toerekenbaar was aan het onrechtmatig handelen van de Staat.

  • De overheid handelde onrechtmatig door pluimveehouders met strafvervolging te dreigen op basis van een onjuiste registratie van mestproductierechten.
  • De keuze van eisers om na hun vrijspraak eerst het bedrijf te verbouwen in plaats van direct de pluimveehouderij te hervatten, doorbreekt het causaal verband voor het grootste deel van de schade.
  • Alleen de schade over de rechten afkomstig van het bedrijf van [A.] is toerekenbaar aan de Staat, omdat eisers de keuzereferentiejaren 1995 of 1996 anders hadden kunnen benutten.
  • De resterende schade werd verder verminderd omdat eisers hun mestproductierechten deels hadden kunnen verkopen en dit ook gedeeltelijk hebben gedaan.
  • Eisers werden als grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

Samenvatting

Een pluimveehoudersbedrijf in Nederland sleepte de Staat voor de rechter na een jarenlange juridische strijd over onjuist geregistreerde mestproductierechten. De zaak draaide om de vraag of het optreden van de overheid de boeren schade had berokkend die vergoed moest worden.

De problemen begonnen in 1990, toen het Bureau Heffingen de geregistreerde mestproductierechten van de pluimveehouders terugschroefde. Ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst (AID) hadden het bedrijf bezocht en geconstateerd dat de feitelijke mestproductie afweek van de registratie. In werkelijkheid hadden de boeren bij de aankoop van een pluimveeschuur in 1986 ook de bijbehorende mestrechten overgenomen, maar die waren nooit correct geregistreerd. Vervolgens dreigde de minister in 1991 met strafvervolging en werd in 1993 daadwerkelijk proces-verbaal opgemaakt. Onder die druk stopten de boeren eind 1993 volledig met het houden van pluimvee.

In 1995 werden de boeren door de strafrechter vrijgesproken: zij hadden helemaal geen regels overtreden. De rechter stelde vast dat de mestproductie in 1991 en 1992 binnen de toegestane grenzen bleef. Pas na die uitspraak werden de registraties gecorrigeerd. Het probleem was echter dat de boeren door de jarenlange onzekerheid en strafvervolging hun pluimveebedrijf hadden stilgelegd. Toen later nieuwe pluimveerechten werden ingevoerd, werden die berekend op basis van de productie in referentiejaren 1995, 1996 of 1997. In die jaren hielden de boeren geen pluimvee meer, zodat zij dure rechten moesten aankopen voor ruim 68.000 gulden.

De rechtbank erkende dat de overheid onrechtmatig had gehandeld. Door de pluimveehouders te dreigen met strafvervolging op basis van een onjuiste registratie, had de overheid hen ten onrechte onder druk gezet hun bedrijfsvoering aan te passen. Dit was voorzienbaar en, zo oordeelde de rechter scherp, ook beoogd. De Staat probeerde het causale verband tussen zijn optreden en de geleden schade te betwisten, maar slaagde daar slechts gedeeltelijk in.

De rechtbank paste echter een flinke korting toe op de gevorderde schadevergoeding. De boeren hadden namelijk na hun vrijspraak in 1995 niet onmiddellijk hun mestrechten weer benut, maar gekozen voor een grootscheepse verbouwing van het bedrijf. Die keuze lag in hun eigen risicosfeer. De rechter redeneerde dat de boeren, als ze direct na de vrijspraak waren begonnen, hun pluimveestapel in de loop van 1996 weer op peil hadden kunnen hebben. Dan hadden ze bij de omzetting naar pluimveerechten in 1997 hun rechten gewoon kunnen benutten. Bovendien konden de niet-omgezette mestproductierechten alsnog worden verkocht, wat de schade verder beperkte.

Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat slechts een deel van de gevorderde schade voor vergoeding in aanmerking komt, namelijk het gedeelte dat betrekking heeft op de rechten die oorspronkelijk van het overgenomen bedrijf afkomstig waren en waarvoor de keuzereferentiejaren 1995 of 1996 gebruikt hadden kunnen worden. Na aftrek van de opbrengst uit verkoop van mestrechten bleef een bedrag over van afgerond 13.263 gulden, waarvan 55 procent toerekenbaar was aan het onrechtmatig handelen. De rechtbank wees een schadevergoeding toe van 6.018,50 euro, met wettelijke rente, terwijl de boeren ook nog in de proceskosten werden veroordeeld omdat zij grotendeels in het ongelijk waren gesteld.

Betrokken advocaten

mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt

eiser

mr. R. Snel

verweerder

TRIP Advocaten Notarissen, GRONINGEN

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

3 november 2004

Rechtsgebied

Civiel Recht

Zaaknummer

184916

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBSGR:2004:BI5048

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Wrakingsverzoek vrouw tegen kantonrechter afgewezen
Rechtbank Den Haag·30 mrt 2026
Civiel Recht
Rechter gewraakt na bevooroordeelde brief in huurgeschil
Rechtbank Den Haag·30 mrt 2026
Civiel Recht
RBDHA:2026:6402
Rechtbank Den Haag·23 mrt 2026
Civiel Recht
RBDHA:2026:7260
Rechtbank Den Haag·19 mrt 2026
Civiel Recht
RBDHA:2026:6278
Rechtbank Den Haag·19 mrt 2026
Civiel Recht