ECLI:NL:RBSGR:2005:AT9989, Rechtbank 's-Gravenhage, 11-07-2005, AWB 05/578 — RBSGR:2005:AT9989
Samenvatting
Mvv / buitenlandse strafrechtelijke veroordeling / advies van Openbaar Ministerie. Verweerder heeft een aanvraag tot verlening van een mvv afgewezen omdat eiser, gelet op het feit dat hij in Frankrijk strafrechtelijk is veroordeeld, een gevaar vormt voor de openbare orde. Verweerder heeft het Openbaar Ministerie gevraagd “welke gevolgen naar Nederlands recht aan de strafbare feiten zouden zijn verbonden, indien die strafbare feiten in Nederland zouden zijn gepleegd en bestraft.” Het in paragraaf B1/2.2.4 Vc 2000 neergelegd beleid betekent onder meer dat wordt uitgegaan van de veronderstelling dat het Openbaar Ministerie zich zal baseren op de gepubliceerde richtlijnen van het Openbaar Ministerie met betrekking tot de eis van de Officier van Justitie ter zitting. Uit het advies van de Officier van Justitie blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat is voldaan aan voornoemd beleid. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verweerder in zijn brief, waarin hij de Officier van Justitie om advies verzoekt, voor wat betreft de vraagstelling niet volledig heeft aangesloten bij het gevoerde beleid. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de inzichtelijkheid en de volledigheid van het advies van de Officier van Justitie in de onderhavige zaak teveel vragen rijzen om het advies in dit geval als een deskundigenbericht te kunnen aanmerken waarop verweerder zijn oordeel had mogen baseren. Dit klemt temeer nu de brieven van de Officier van Justitie er geen blijk van geven dat de Officier van Justitie zich een oordeel heeft gevormd over de straf die door het Openbaar Ministerie geëist zou zijn, maar enkel een inschatting heeft gemaakt van de straf die door de rechter zou zijn opgelegd, waaraan bovendien is toegevoegd dat “straftoemeting altijd een arbitraire aangelegenheid is”. Dit wordt niet anders nu de brief van de Officier van Justitie melding maakt van het feit dat gesproken is van een strafeis. Die opmerking verdraagt zich niet met de bewoordingen die in laatstbedoelde brief zijn gebruikt. Daarbij komt dat uit de brieven van het Openbaar Ministerie niet kenbaar blijkt dat en op welke wijze is aangesloten bij de terzake gepubliceerde richtlijnen. Het bestreden besluit is dan ook niet genomen met de in acht te nemen zorgvuldigheid en ontbeert mede als gevolg daarvan een draagkrachtige motivering. Beroep gegrond.
Betrokken advocaten
mr. C. de Jongh
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2024:202, Rechtbank Den Haag, 12-01-2024, SGR 22/3448
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBDHA:2016:15466, Rechtbank Den Haag, 14-10-2016, AWB 16/14565, 14/14563, 16/14566,16/14564
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht
ECLI:NL:GHSGR:2011:BR3899, Gerechtshof 's-Gravenhage, 20-07-2011, 200.084.247.01
Gerechtshof Den Haag · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:GHSGR:2010:BL1998, Gerechtshof 's-Gravenhage, 13-01-2010, 200.023.189-01
Gerechtshof Den Haag · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
Gegevens
Datum uitspraak
11 juli 2005
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
AWB 05/578
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBSGR:2005:AT9989