Juristi.nl
ECLI:NL:RBUTR:2007:BB4399Civiel Recht

Rechtbank wijst vorderingen over beleggingsproduct af wegens onvoldoende bewijs dwaling — RBUTR:2007:BB4399

beleggingsproduct / zorgplicht financiële instelling / dwaling

Eiser / verzoeker

Twee particulieren (eiser sub 1 en eiser sub 2)

VS

Verweerder / gedaagde

Aegon Bank N.V. (Spaarbeleg)

De rechtbank wees alle vorderingen van eisers af wegens onvoldoende onderbouwing van zowel dwaling als het causaal verband bij de zorgplichtschending.

  • Beroep op dwaling bij SprintPlan-beleggingsproduct afgewezen wegens onvoldoende concrete onderbouwing van onjuiste mededelingen door tussenpersoon
  • Causaal verband tussen schending zorgplicht door Spaarbeleg en geleden schade onvoldoende aannemelijk gemaakt

Samenvatting

Twee mannen van Iraanse afkomst, aangeduid als eiser sub 1 en eiser sub 2, hebben een rechtszaak aangespannen tegen Aegon Bank N.V. – in deze zaak aangeduid als Spaarbeleg – over beleggingsproducten die zij hadden afgesloten via tussenpersoon Blaak Assurantiën. Het ging om het zogenoemde SprintPlan, een beleggingsproduct waarbij maandelijks rente werd betaald en waarbij de inleg in aandelen werd belegd.

De eisers stelden dat zij niet goed waren geïnformeerd over de risico's van het SprintPlan. Zij vonden dat Spaarbeleg haar zorgplicht had geschonden en dat zij hadden gedwaald bij het aangaan van de overeenkomsten: zij zouden hebben gedacht met een spaarproduct te maken te hebben, terwijl het in werkelijkheid een risicodragende belegging betrof. Eerder, bij een tussenvonnis in november 2006, had de rechtbank al vastgesteld dat de specifieke beleggingsrisico's niet duidelijk uit de schriftelijke informatie bleken. Toch werd de eisers gevraagd nadere informatie te verschaffen over wat de tussenpersoon destijds precies had meegedeeld.

De tussenpersoon stuurde een brief waarin hij aangaf dat hij door Aegon onvoldoende was ingelicht om zijn klanten te kunnen adviseren over de risico's van het SprintPlan en het vergelijkbare Koersplan. Alle informatie die hij zelf had ontvangen, zou hij hebben doorgegeven aan de klanten. De rechtbank oordeelde echter dat uit deze verklaring niet kon worden afgeleid welke concrete onjuiste mededelingen de tussenpersoon had gedaan of welke specifieke risico's niet waren uitgelegd. De stelling dat de tussenpersoon had gezegd dat te veel nadruk op de voordelen moest worden gelegd, werd niet ondersteund door de verklaring van de tussenpersoon zelf. Het beroep op dwaling werd daarom afgewezen.

Ook het beroep op schending van de zorgplicht strandde. De rechtbank had gevraagd om meer informatie over hoe de overeenkomsten tot stand waren gekomen, wat er was gezegd over het verschil tussen het SprintPlan en het Koersplan, en wat het opleidingsniveau en de financiële situatie van de eisers was. Eiser sub 2 had een aan mavo gelijkwaardige opleiding in Iran genoten en was al arbeidsongeschikt toen hij het product afsloot. Eiser sub 1 had een universitaire achtergrond en werkte als bouwkundig tekenaar.

De rechtbank stelde vast dat de eisers ook op dit punt onvoldoende concrete informatie hadden aangeleverd. Het was niet duidelijk geworden of de risico's van het eerder afgesloten Koersplan – dat met een kleine winst was beëindigd – de eisers al bewust hadden moeten maken van de risico's van dit soort beleggingen. Daarbij speelde ook het opleidingsniveau een rol. Omdat het oorzakelijk verband tussen de gestelde schending van de zorgplicht en de geleden schade onvoldoende aannemelijk was gemaakt, werd ook deze vordering afgewezen.

Al met al werden alle vorderingen van de eisers verworpen. Zij werden ook veroordeeld in de proceskosten van Spaarbeleg, vastgesteld op ruim 1.400 euro.

Betrokken advocaten

mr. R. de Jong

eisers

mr. J.M. van Noort

gedaagde

NewGround Law, AMSTERDAM

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

26 september 2007

Rechtsgebied

Civiel Recht

Zaaknummer

202302/ HA ZA 05-2101.

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB4399

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Huisarts krijgt geen gelijk in ruzie om werkruimtes gedeelde praktijk
Rechtbank Midden-Nederland·1 apr 2026
Civiel Recht
RBMNE:2026:1197
Rechtbank Midden-Nederland·24 mrt 2026
Civiel Recht
RBMNE:2026:1293
Rechtbank Midden-Nederland·20 mrt 2026
Civiel Recht
RBMNE:2026:1281
Rechtbank Midden-Nederland·19 mrt 2026
Civiel Recht
RBMNE:2026:1254
Rechtbank Midden-Nederland·19 mrt 2026
Civiel Recht