Juristi.nl

ECLI:NL:RBZWB:2024:6550, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13-08-2024, C/02/424258 KG ZA 24-342 — RBZWB:2024:6550

Samenvatting

In beginsel heeft een kind het recht om met (een van) de ouders op vakantie te gaan. De minderjarige gaat naar een school, waar de vakantiedagen naar eigen inzicht mogen worden ingedeeld. Dat betekent dat zij ook buiten de landelijk bepaalde schoolvakanties op vakantie mag gaan. Maar uit de inhoud van de stukken en uit de mondelinge behandeling is gebleken, dat de minderjarige al zo vaak absent is van school – door ziekte of om andere redenen – dat zij in haar ontwikkeling wordt bedreigd en wel zodanig dat zij – mede om die reden – onder toezicht is gesteld van de GI. Ook vanuit de school van de minderjarige komen zorgen over de beperkte aanwezigheid van de minderjarige op school. De minderjarige zit nog maar drie maanden op deze school en het valt school nu al op dat de minderjarige bijna de helft van de schooldagen in die drie maanden niet aanwezig is geweest. Ook in de voorgaande jaren heeft de minderjarige veel schooltijd gemist, waardoor zij in haar ontwikkeling op achterstand is komen te staan op haar leeftijdsgenootjes. Zij moet de tijd krijgen om daar te aarden, om onderwijs te krijgen en om contact te hebben met haar klasgenootjes. In de komende periode is er al schoolverzuim te verwachten voor de minderjarige, omdat zij behandeling nodig heeft voor haar kaak en omdat er met haar gewerkt zal worden aan het herstel van contact met de man. Ook wordt een gezinsopname van de minderjarige met de vrouw en met de man door de GI noodzakelijk geacht, waardoor zij eveneens niet naar school zal kunnen gaan. Het is daarmee niet in het belang van de minderjarige dat zij daarnaast ook nog school moet missen om op vakantie te gaan. Volgens de vrouw zou het slechts gaan om twee dagen, maar de voorzieningenrechter kan op basis van het overzicht niet vaststellen dat dit daadwerkelijk een door school afgegeven overzicht is van de studiedagen waarop de school gesloten is. Gelet op het voorgaande en ook op het gegeven dat de minderjarige op 22 juli, 29 juli, 30 juli en 1 augustus ook nog vakantiedagen heeft gehad, zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw afwijzen.

Betrokken advocaten

mr. C.J.H. Anker

eiser

Moree Gelderblom advocaten, ROTTERDAM

mr. A.J.C. van Bemmel

eiser

Moree Gelderblom advocaten, ROTTERDAM

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

13 augustus 2024

Zaaknummer

C/02/424258 KG ZA 24-342

Procedure

Rekestprocedure

ECLI

ECLI:NL:RBZWB:2024:6550

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBZWB:2026:2174
Rechtbank Zeeland-West-Brabant·16 maart 2026
Civiel Recht; Personen- En Familierecht
RBZWB:2026:1670
Rechtbank Zeeland-West-Brabant·11 maart 2026
Civiel Recht; Personen- En Familierecht
RBZWB:2026:2169
Rechtbank Zeeland-West-Brabant·4 maart 2026
Civiel Recht; Personen- En Familierecht
RBZWB:2026:1909
Rechtbank Zeeland-West-Brabant·3 maart 2026
Civiel Recht; Personen- En Familierecht
RBZWB:2026:2220
Rechtbank Zeeland-West-Brabant·3 maart 2026
Civiel Recht; Personen- En Familierecht