ECLI:NL:RBZWB:2025:8201, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21-11-2025, BRE 24/7057 — RBZWB:2025:8201
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de op 29 augustus 2024 door het college aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning (bestreden besluit) voor het in werking hebben van een inrichting op het perceel aan de [adres] te [plaats] (perceel). Eiseressen zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van eiseressen dient dus alleen de vraag beantwoord te worden of zij als belanghebbenden zijn aan te merken. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseressen en vergunninghoudster (deels) werkzaam zijn in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied. Zij zijn dus concurrenten. Tijdens de zitting is door partijen bevestigd dat de belanghebbendheid van eiseressen als concurrent van vergunninghoudster niet ter discussie staat. De door het college gestelde niet-ontvankelijkverklaring van eiseressen wijst de rechtbank dan ook af. Eiseressen hebben ter zitting nader toegelicht dat de regels over een goede ruimtelijke ordening mede zien op een goed ondernemersklimaat en dat eiseressen zich als concurrent van vergunninghoudster dan ook mogen beroepen op de normen die voortvloeien uit een goede ruimtelijke ordening. In dat kader verwijzen eiseressen naar de in de jurisprudentie van de AbRS opgenomen nuancering over de toepassing van artikel 8:69a van de Awb in omgevingsrechtelijke zaken. De AbRS vindt dat een zienswijze over de naleving van de ingeroepen procedurele norm over het recht op inspraak – in een procedure waarop volgens het nationale omgevingsrecht afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is – bij de rechter afgedwongen moet kunnen worden. De AbRS kent daarom voortaan bij de toepassing van het relativiteitsbeginsel zelfstandige betekenis toe aan de procedurele normen over het recht op inspraak. Naar het oordeel van de rechtbank komen eiseressen met het beroep op de overige gronden op tegen de invulling van materiële normen, terwijl deze normen niet strekken tot bescherming van de belangen van eiseressen. Anders dan in de aangehaalde uitspraak van 15 februari 2023 gaat het hier dus niet om een procedureel gebrek, maar om een inhoudelijk, materieel verschil van inzicht over de vraag of de activiteiten passen binnen het bestemmingsplan. Als gevolg hiervan dient aan eiseressen het relativiteitsbeginsel te worden tegengeworpen. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat de respectievelijke door eiseressen aangevraagde en de door vergunninghoudster verleende omgevingsvergunningen beiden betrekking hebben op een ander bestemmingsplan en tevens een andere periode. Er is dan ook geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het gelijkheidsbeginsel is niet geschonden. De toepassing van het relativiteitsbeginsel jegens eiseressen hoeft dan ook niet gecorrigeerd te worden.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2025:6356, Raad van State, 24-12-2025, 202406111/1/A2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:6346, Raad van State, 24-12-2025, 202401005/1/A2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:6374, Raad van State, 24-12-2025, 202400251/1/R1
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:26984, Rechtbank Den Haag, 18-12-2025, 24/9240 en 24/9243
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
21 november 2025
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtsgebied
Bestuursrecht; BestuursprocesrechtZaaknummer
BRE 24/7057
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2025:8201