Juristi.nl

ECLI:NL:RBZWB:2026:1204, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-02-2026, 23/12308 WW — RBZWB:2026:1204

Samenvatting

Uitsluitend is in geschil of de uitzondering van artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b van de WW aan de orde is. In de rechtspraak is van beslissende betekenis geacht of aangenomen moet worden dat bij voldoende voortvarende en gerichte actie van de werknemer de werkgever de vordering reeds zou hebben voldaan indien deze niet in de toestand van blijvende betalingsonmacht zou zijn geraakt. Is van een dergelijke voortvarende en gerichte actie geen sprake geweest, dan ligt de conclusie in de rede dat het niet geldend kunnen maken van de vordering niet uitsluitend het gevolg is van betalingsonmacht en mist artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW toepassing. Daarbij is zowel van belang wat de werknemer heeft ondernomen om tot vaststelling van zijn aanspraak jegens de werkgever te komen als hetgeen hij vervolgens heeft gedaan om de aanspraak geldend te maken. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een tijdige, voldoende voortvarende en gerichte actie van eiseres. Het is dan ook aannemelijk dat de achterstallige loonbetalingen uitsluitend wegens het bestaan van betalingsonmacht van de ex-werkgever niet geldend gemaakt konden worden.

Betrokken advocaten

mr. M. Griep

eiser

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

24 februari 2026

Zaaknummer

23/12308 WW

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBZWB:2026:1204

Bekijk op rechtspraak.nl