Rechter dwingt UWV tot beslissen over WIA-bezwaar binnen vier maanden — RBZWB:2026:2394
niet-tijdig beslissen / dwangsom / WIA-bezwaar
Eiser / verzoeker
Eiseres (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Raad van bestuur van het UWV
Het beroep is gegrond verklaard: het UWV moet binnen vier maanden alsnog een beslissing op bezwaar nemen, de bestuurlijke dwangsom is vastgesteld op € 1.442, en bij verder uitstel geldt een dwangsom van € 100 per dag tot maximaal € 15.000.
- UWV had uiterlijk 15 december 2025 moeten beslissen op het bezwaar, maar deed dat niet vanwege een tekort aan verzekeringsartsen
- Rechtbank legt UWV een beslistermijn van vier maanden op en wijst het verzoek om 30 weken af
- Bestuurlijke dwangsom van € 1.442 vastgesteld omdat de maximale termijn van 42 dagen al is verstreken
- Nieuwe dwangsom van € 100 per dag (max. € 15.000) opgelegd voor het geval de nieuwe termijn ook wordt overschreden
- UWV moet € 54 griffierecht en € 467 proceskosten vergoeden aan eiseres
Samenvatting
Een vrouw die bezwaar had gemaakt tegen een WIA-beslissing van het UWV, wachtte maandenlang tevergeefs op een beslissing op haar bezwaar. Het UWV had die beslissing uiterlijk op 15 december 2025 moeten nemen, maar liet niets van zich horen. De vrouw stelde het UWV op 16 december 2025 officieel in gebreke, waarna ook de wettelijk verplichte twee weken verstreken zonder dat het UWV in actie kwam. De vrouw stapte daarop naar de rechter.
Het UWV erkende de vertraging, maar schoof de schuld op een tekort aan verzekeringsartsen. Omdat de medische beoordeling van haar bezwaar daardoor nog niet had plaatsgevonden, kon het UWV niet aangeven wanneer het wel een besluit zou nemen. Het UWV vroeg de rechtbank om een royale beslistermijn van dertig weken te gunnen, en verwees daarvoor naar twee uitspraken van de rechtbank Rotterdam.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant ging daar niet in mee. Hoewel de rechter begrip toonde voor de complexiteit van zorgvuldige besluitvorming, benadrukte zij ook het belang dat burgers binnen afzienbare tijd duidelijkheid krijgen over hun uitkering. Een termijn van vier maanden werd redelijk geacht — ruim genoeg voor een zorgvuldige behandeling, maar niet zo lang dat de vrouw eindeloos in onzekerheid blijft.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het UWV al een bestuurlijke dwangsom verschuldigd is vanwege het overschrijden van de wettelijke beslistermijn. Die dwangsom loopt automatisch op bij te late beslissingen van bestuursorganen en bedraagt maximaal 42 dagen. De rechtbank stelde het maximale bedrag van € 1.442 vast, omdat er al meer dan 42 dagen waren verstreken na de ingebrekestelling.
De rechter legde het UWV ook een nieuwe dwangsom op voor het geval de termijn van vier maanden wederom niet wordt gehaald: € 100 per dag, met een maximum van € 15.000. Zo wordt het UWV financieel geprikkeld om op tijd te beslissen. Tot slot moet het UWV het griffierecht van € 54 en een bedrag van € 467 aan proceskosten aan de vrouw vergoeden.
Betrokken advocaten
mr. T.H.M.M. Kusters
eiser
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBOBR:2026:341, Rechtbank Oost-Brabant, 23-01-2026, 23/1456PKV
Rechtbank Oost-Brabant · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBZWB:2025:5151, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 06-08-2025, 25/3061
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht
ECLI:NL:CRVB:2025:1131, Centrale Raad van Beroep, 31-07-2025, 24/1218 WAO
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBZWB:2024:7645, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 05-11-2024, 24/4894
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
BRE 26/793
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:2394