Raad van State herstelt verblijfsrecht Britse vreemdeling — RVS:2013:2324
vreemdelingenrecht / beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring EU-burger
Eiser / verzoeker
De vreemdeling (Britse nationaliteit)
Verweerder / gedaagde
Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (voorheen: minister voor Immigratie, Integratie en Asiel)
De Raad van State herriep alsnog de beëindiging van het verblijfsrecht van de Britse vreemdeling per 6 januari 2012, omdat de rechtbank dit ten onrechte had nagelaten.
- De rechtbank had de ongewenstverklaring opgeheven maar nagelaten ook de beëindiging van het verblijfsrecht te herroepen, terwijl beide besluiten op dezelfde gronden waren gebaseerd.
- De Raad van State oordeelde dat het gedrag van de vreemdeling geen actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormde, zoals vereist voor beëindiging van verblijfsrecht van EU-burgers.
- Omdat de ongewenstverklaring en de verblijfsbeëindiging op identieke gronden berustten, wordt ook de verblijfsbeëindiging met ingang van 6 januari 2012 herroepen.
- De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht van de vreemdeling.
Samenvatting
Een Britse man verloor in 2010 zijn verblijfsrecht in Nederland en werd ongewenst verklaard door de toenmalige minister van Justitie. De overheid stelde dat zijn gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving — een vereiste dat geldt voor EU-burgers op grond van Europees recht.
De man maakte bezwaar, maar dat werd in januari 2012 ongegrond verklaard. Hij stapte vervolgens naar de rechtbank in Almelo. Die gaf hem grotendeels gelijk: de rechter oordeelde dat het gedrag van de man de conclusie van de staatssecretaris niet kon rechtvaardigen en vernietigde het besluit op bezwaar. De ongewenstverklaring werd door de rechtbank opgeheven per 6 januari 2012.
Toch was de man niet volledig tevreden met de uitspraak. De rechtbank had namelijk wel de ongewenstverklaring ongedaan gemaakt, maar vergeten ook de beëindiging van zijn verblijfsrecht formeel terug te draaien. Dat zijn twee afzonderlijke besluiten, en door alleen de ongewenstverklaring op te heffen bleef de verblijfsbeëindiging juridisch overeind staan. De man stelde daarom hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State stelde de vreemdeling in het gelijk. De hoogste bestuursrechter bevestigde dat de rechtbank inderdaad een omissie had begaan: het besluit tot beëindiging van het verblijfsrecht was gebaseerd op precies dezelfde gronden als de ongewenstverklaring. Nu die gronden niet deugen, moet ook de verblijfsbeëindiging worden herroepen. Omdat de ingangsdatum van de opheffing van de ongewenstverklaring — 6 januari 2012 — tussen partijen niet ter discussie stond, besloot de Raad van State dat ook de verblijfsbeëindiging met ingang van die datum wordt herroepen.
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie moet de proceskosten van de man vergoeden: 472 euro voor de rechtsbijstand in hoger beroep, plus 232 euro aan griffierecht.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2025:3219, Raad van State, 16-07-2025, 202100607/1/R4 en 202100609/1/R4
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:488, Rechtbank Midden-Nederland, 17-02-2025, 16/237009-24 (P)
Rechtbank Midden-Nederland · Strafrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:516, Rechtbank Midden-Nederland, 17-02-2025, 16/259416-24 (P)
Rechtbank Midden-Nederland · Strafrecht; Strafprocesrecht
ECLI:NL:RBMNE:2024:5568, Rechtbank Midden-Nederland, 25-09-2024, 16/097656-24 (P)
Rechtbank Midden-Nederland · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
3 december 2013
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
201208375/1/V4
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2013:2324