Gemeente hoeft geen aangepast taxivervoer te bieden voor leerlingenvervoer — RVS:2022:3732
leerlingenvervoer / bijzondere bijstand / hardheidsclausule gemeentelijke verordening
Eiser / verzoeker
appellante (moeder, wonend te Rotterdam)
Verweerder / gedaagde
college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
De Raad van State bevestigde dat de gemeente Rotterdam niet verplicht was aangepast taxivervoer toe te kennen; de toegekende OV-vergoeding van €580 volstaat.
- Zoon van appellante volgt speciaal basisonderwijs op minder dan 6 km afstand, waardoor geen regulier recht op leerlingenvervoer bestaat
- Gemeentelijk beleid (hardheidsclausule) rechtvaardigde toekenning van OV-abonnementen vanwege laag inkomen, maar niet van aangepast (taxi)vervoer
- Niet aangetoond dat de zoon ondanks zijn beperking niet in staat is om met begeleiding met het OV te reizen
- Complexe gezinssituatie (vier kinderen, werktijden echtgenoot) maakt de situatie niet bijzonder genoeg voor toepassing van de hardheidsclausule
Samenvatting
Een moeder uit Rotterdam vocht jarenlang voor aangepast taxivervoer voor haar zoon, die speciaal basisonderwijs volgt. De gemeente Rotterdam kende haar echter alleen twee OV-abonnementen toe, zodat haar zoon onder begeleiding met het openbaar vervoer naar school kon reizen. Die school ligt op minder dan zes kilometer van hun woning, waardoor het gezin volgens de gemeentelijke verordening normaal gesproken helemaal geen recht heeft op vergoeding van leerlingenvervoer. Dankzij een inkomensregeling en de hardheidsclausule had de gemeente toch iets toegekend, maar dat was voor de moeder niet genoeg.
De moeder betoogde dat haar zoon door een beperking niet in staat is om onder begeleiding met het openbaar vervoer te reizen en dat zij daarom recht had op aangepast vervoer, zoals een taxi. Zij wees daarbij op een psychodiagnostisch onderzoeksrapport en verklaringen van de gezinscoach. Bovendien wees zij op de complexe gezinssituatie: zij heeft vier kinderen, van wie er meerdere naar verschillende scholen gaan die allemaal om half negen beginnen. Haar man werkt als pakketbezorger en kan niet helpen. Dat maakt het voor haar praktisch onmogelijk om alle kinderen tijdig op school te krijgen zonder dat dit negatieve gevolgen heeft voor hun welzijn en schoolprestaties.
De rechtbank Rotterdam gaf de gemeente in december 2021 gelijk. De moeder ging in hoger beroep bij de Raad van State. Zij herhaalde haar argumenten en voegde daar een verklaring van de wijkteamcoach aan toe. Die verklaring stelde onder meer dat haar zoon niet zelfstandig aan het verkeer kan deelnemen. Toch volgde de Raad van State het standpunt van de gemeente.
De hoogste bestuursrechter oordeelde dat uit de overgelegde documenten weliswaar blijkt dat de zoon een beperking heeft, maar dat dit niet automatisch betekent dat hij ook niet in staat is om mét begeleiding met het openbaar vervoer te reizen. De verklaring dat hij niet zelfstandig aan het verkeer kan deelnemen, zegt niets over zijn mogelijkheden als er iemand naast hem staat. Omdat niet aangetoond is dat begeleiding onmogelijk is, voldoet de situatie niet aan de wettelijke vereisten voor aangepast vervoer.
Ook de beroepen op de hardheidsclausule - de bepaling die de gemeente de ruimte geeft om in bijzondere gevallen af te wijken van de regels - werden afgewezen. De Raad van State benadrukte dat het begeleiden van kinderen naar school in beginsel de verantwoordelijkheid is van de ouders zelf. De situatie van dit gezin, hoe zwaar ook, verschilt volgens de rechter niet wezenlijk van de problemen waarmee vele andere gezinnen te maken hebben. De gemeente was dan ook niet verplicht om hier een uitzondering te maken. Het college had bovendien voldoende uitgelegd waarom het in dit geval de hardheidsclausule niet toepaste.
Tot slot stelde de moeder nog dat de gemeente in vergelijkbare gevallen wél taxivervoer heeft vergoed. De Raad van State verwierp ook dit argument, omdat de moeder geen concrete voorbeelden heeft aangedragen van gevallen die werkelijk vergelijkbaar zijn met die van haar gezin.
De uitspraak bevestigt het vonnis van de rechtbank: de gemeente Rotterdam hoefde geen aangepast vervoer te vergoeden. De moeder krijgt het door de gemeente toegekende bedrag van 580 euro voor de kosten van het openbaar vervoer, maar geen taxi voor haar zoon.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2025:13951, Rechtbank Rotterdam, 04-12-2025, C/10/706785 / FA RK 25-7025
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBROT:2025:12365, Rechtbank Rotterdam, 09-10-2025, C/10/705403 / KG ZA 25-853
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RVS:2025:4655, Raad van State, 01-10-2025, 202301730/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:9823, Rechtbank Rotterdam, 11-07-2025, 11552445 CV EXPL 25-3757
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
14 december 2022
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202200747/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:3732