ECLI:NL:RVS:2022:691, Raad van State, 09-03-2022, 202105712/1/A3 — RVS:2022:691
Samenvatting
Bij brief van 16 september 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen [appellant] medegedeeld dat hij geen bezwaar kan maken tegen de afhandeling van openstaande vorderingen. Bij besluit van 30 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. [appellant] heeft van 18 juni 2010 tot en met 31 december 2010 op uitzendbasis op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst met een uitzendbureau, als applicatiebeheerder gewerkt bij de afdeling Vergunningen van de gemeente Emmen. [appellant] is niet tevreden over de wijze waarop de gemeente is omgegaan met een integriteitskwestie. Die kwestie heeft geleid tot het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 maart 2019, zaaknummer 200.224.264. Het gerechtshof heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 2.327,-.
Betrokken advocaten
mr. J.G.H. van der Kolk
appellant
mr. J.T. Oosterhoff
appellant
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNNE:2025:542, Rechtbank Noord-Nederland, 07-02-2025, LEE 23/2447, LEE 23/2448, LEE 23/2449, LEE 23/2450, LEE 23/2451
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2021:1389, Raad van State, 30-06-2021, 202003458/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2020:2827, Raad van State, 02-12-2020, 202003458/3/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:CRVB:2020:1819, Centrale Raad van Beroep, 11-08-2020, 17/5986 WAO
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
9 maart 2022
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202105712/1/A3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:691