ECLI:NL:RVS:2024:2214, Raad van State, 29-05-2024, 202303190/1/V6 — RVS:2024:2214
Samenvatting
Bij brieven van 9 december 2021 heeft de minister van Buitenlandse Zaken aanvragen van [appellant A] en [appellant B] voor een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, afgewezen. [appellant A] en [appellant B] zijn broers en wonen beiden in het Verenigd Koninkrijk sinds hun geboorte op onderscheidenlijk [geboortedatum] 1970 en [geboortedatum] 1972. Omdat hun vader sinds 1966 door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit bezat, hebben zij bij hun geboorte van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verkregen. Ook zijn zij vanaf hun geboorte Brits staatsburger. [appellant A] en [appellant B] hebben ieder afzonderlijk in augustus 2021 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. De minister heeft in brieven van 9 december 2021 aangegeven dat hij de verklaring niet kan afgeven, omdat [appellant A] en [appellant B] beiden het Nederlanderschap van rechtswege hebben verloren ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, zoals die bepaling luidde tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 (hierna: artikel 15, aanhef en onder c, van de RWN (oud)).
Betrokken advocaten
mr. L.H.T. Geuzendam
appellant
A. van Rosmalen
appellant
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
Juridische strijd om Nederlands paspoort gaat verder na vervangend besluit
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBROT:2026:571, Rechtbank Rotterdam, 21-01-2026, ROT 25/2396
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24424, Rechtbank Den Haag, 16-12-2025, SGR 25/3305
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:6011, Raad van State, 10-12-2025, 202305088/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
29 mei 2024
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
202303190/1/V6
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:2214