ECLI:NL:RVS:2024:821, Raad van State, 28-02-2024, 202104386/1/A3 — RVS:2024:821
Samenvatting
Bij besluit van 13 april 2018 heeft de minister een eis gesteld tot naleving van artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Bij besluit van 19 juli 2019 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Op 12 februari 2018 hebben twee arbeidsinspecteurs een inspectie uitgevoerd aan [locatie], waar [appellante] bezig was met de plaatsing van 232 studentenwoningen. Tijdens deze inspectie hebben zij vastgesteld dat medewerkers van [appellante], die de modulaire bouwelementen aan het plaatsen waren, zich aan de bovenzijde langs de randen van de elementen begaven terwijl er geen doelmatige hekwerken, leuningen of andere vergelijkbare voorzieningen waren aangebracht. In plaats daarvan werd gebruik gemaakt van veiligheidsgordels met een vanglijn in combinatie met een valstopapparaat, te weten een katrol. Op basis van deze bevindingen kwam de minister tot de conclusie dat artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit was overtreden. Na zijn voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt, heeft de minister aan [appellante] een eis tot naleving gesteld.
Betrokken advocaten
mr. J.R. Baas
appellant
mr. B.J.M. van der Meer
appellant
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2024:5551, Rechtbank Den Haag, 17-04-2024, 23/851
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
ECLI:NL:RVS:2024:823, Raad van State, 28-02-2024, 202104723/1/A3 en 202104724/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2023:2500, Raad van State, 28-06-2023, 202105616/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBMNE:2023:2395, Rechtbank Midden-Nederland, 15-05-2023, UTR 22/4834
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
28 februari 2024
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202104386/1/A3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:821