Raad vernietigt helft dwangsom horecazaak om sluitingstijden — RVS:2025:2470
Invordering dwangsom / overtreding APV-sluitingstijden horecagelegenheid
Eiser / verzoeker
Horecaondernemer (vof) gevestigd in Deventer, exploitant van een pizzeria
Verweerder / gedaagde
Burgemeester van Deventer
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank gedeeltelijk: slechts één dwangsom van €3.000 mag worden ingevorderd in plaats van twee, omdat de constatering van 14 november 2020 geen bewezen overtreding opleverde.
- De constatering van 14 november 2020 leverde geen bewezen overtreding op: niet was vastgesteld of de vertrekkende persoon een klant of werknemer was en het binnenzetten van scooters heeft geen openbaar karakter.
- De constatering van 13 maart 2021 was wél een overtreding: een werknemer bezorgde met een warmhoudzak een bestelling na sluitingstijd, wat een activiteit met openbaar karakter is onder artikel 2:29 APV.
- Bewijsmateriaal vergaard tijdens een coronacontrole mag worden gebruikt voor invordering van een dwangsom op grond van de APV; de cautieplicht was niet van toepassing.
- Matiging van de dwangsom vanwege de coronacrisis werd afgewezen bij gebrek aan financiële onderbouwing door de ondernemer.
- Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de procedure (3 jaar en 11 maanden) binnen de norm van 4 jaar bleef.
Samenvatting
Een horecaondernemer in Deventer kreeg van de burgemeester twee dwangsommen opgelegd van in totaal 6.000 euro, omdat zijn pizzeria na sluitingstijd nog open zou zijn geweest. De dwangsommen hadden betrekking op twee afzonderlijke nachten: 14 november 2020 en 13 maart 2021. De ondernemer vocht deze invordering aan, maar verloor bij de rechtbank. In hoger beroep bij de Raad van State draaide het om de vraag of beide constateringen daadwerkelijk overtredingen waren.
De Raad van State geeft de horecaondernemer gedeeltelijk gelijk. Wat de nacht van 14 november 2020 betreft, oordeelt de hoogste bestuursrechter dat er geen overtreding is bewezen. Verbalisanten hadden gezien dat iemand om drie uur 's nachts het pand verliet met een wit tasje. Maar het was niet vastgesteld of die persoon een klant of een werknemer was, en ook niet of het tasje warme of koude spullen bevatte. Bovendien waren medewerkers ook bezig scooters naar binnen te zetten, wat geen openbare activiteit is. De sluitingsbepalingen in de Apv zijn bedoeld om overlast voor de omgeving te voorkomen en zien op activiteiten met een openbaar karakter, niet op interne bedrijfshandelingen zoals schoonmaken of opruimen.
Voor de nacht van 13 maart 2021 oordeelt de Raad van State anders. Verbalisanten zagen hoe een man met een rode warmhoudzak de zaak binnenkwam en vijf minuten later weer vertrok. De man verklaarde zelf dat hij een bezorger was van het bedrijf en overhandigde zelfs een werkgeversverklaring. Dat hij de bezorging deed 'op weg naar huis', zoals de ondernemer op zitting beweerde, maakt niet dat er geen overtreding was. De pizza werd gewoon bezorgd na sluitingstijd, en dat valt wel degelijk onder de APV.
De ondernemer had ook aangevoerd dat de verklaringen in de processen-verbaal niet gebruikt mochten worden, omdat de controle mede gericht was op naleving van coronaregels. Daarvoor had volgens hem een cautieplicht gegolden. De Raad van State verwerpt dit argument: dat de feiten zijn geconstateerd tijdens een coronacontrole betekent niet dat ze niet gebruikt mogen worden voor de invordering van een dwangsom op grond van de APV.
Een verzoek om matiging van de dwangsom vanwege de coronacrisis en de financiële druk op de horeca wees de Raad van State eveneens af. De ondernemer had geen financiële gegevens overgelegd om aan te tonen dat hij onevenredig hard getroffen was. Ook het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke procestermijn werd afgewezen: de procedure duurde drie jaar en elf maanden, terwijl de norm vier jaar is.
De uitkomst is dat de burgemeester nog maar één dwangsom van 3.000 euro mag invorderen in plaats van twee. De overtreding van 14 november 2020 werd ten onrechte vastgesteld, en de bijbehorende 3.000 euro moet niet worden ingevorderd.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2024:22419, Rechtbank Den Haag, 24-12-2024, C/09/ 666443 HA ZA 24-437
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht
ECLI:NL:RBGEL:2022:7578, Rechtbank Gelderland, 07-12-2022, C/05/388303 / HZ ZA 21-187
Rechtbank Gelderland · Civiel Recht
ECLI:NL:RBNHO:2022:6962, Rechtbank Noord-Holland, 10-08-2022, C/15/328079 / HA ZA 22-307
Rechtbank Noord-Holland · Civiel Recht
ECLI:NL:RBGEL:2022:2277, Rechtbank Gelderland, 04-05-2022, C/05/395177 / HZ ZA 21-357
Rechtbank Gelderland · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
28 mei 2025
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202206513/1/A3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:2470