ECLI:NL:RVS:2025:5058, Raad van State, 22-10-2025, 202502286/1/A2 — RVS:2025:5058
Samenvatting
Bij besluit van 24 januari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellante] woont met haar minderjarige zoon in bij kennissen in een vierkamerwoning met in totaal negen personen. Zij heeft een aanvraag om een urgentieverklaring gedaan omdat zij kampt met psychische problematiek en haar zoontje gezondheidsklachten heeft. Ook zou zij op korte termijn de woning moeten verlaten vanwege de verhuizing van de hoofdbewoner. Het college heeft bij het besluit van 12 juni 2024 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, sub b en c van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024. Volgens het college is er geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem, omdat [appellante] met haar zoontje bij een ander huishouden inwoont en niet is gebleken van dakloosheid. Ook had [appellante] volgens het college het huisvestingsprobleem redelijkerwijs kunnen voorkomen, omdat [appellante] voor gezinsuitbreiding heeft gekozen zonder over geschikte woonruimte te beschikken.
Betrokken advocaten
mr. U. Tasdelen
appellant
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2026:367, Rechtbank Rotterdam, 08-01-2026, C/10/675267 / FA RK 24-1877
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RVS:2025:6432, Raad van State, 31-12-2025, 202405939/1/A2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:25424, Rechtbank Den Haag, 12-12-2025, AWB25/6519
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2025:5572, Raad van State, 20-11-2025, BRS.25.000686
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
22 oktober 2025
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202502286/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:5058