ECLI:NL:RVS:2025:5352, Raad van State, 05-11-2025, 202402190/1/A2 — RVS:2025:5352
Samenvatting
Bij besluit van 5 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de aanvraag van [belanghebbende] om een vergunning voor kamerbewoning voor maximaal elf personen op het adres [locatie A] in Rotterdam afgewezen. [belanghebbende] is de eigenaar van de woning aan de [locatie A] en heeft op 26 juli 2020 een vergunning aangevraagd voor kamerbewoning voor maximaal elf personen. Het college heeft de vergunningaanvraag afgewezen omdat niet wordt voldaan aan de vereisten voor vergunningverlening als neergelegd in artikel 3.2.5 van de Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2019. [belanghebbende] heeft in bezwaar aangevoerd dat het college ten onrechte haar aanvraag heeft afgewezen. Het college heeft de afwijzing van de vergunningaanvraag bij besluit van 31 mei 2021 gehandhaafd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de kamerbewoning geen positieve invloed heeft op het woonmilieu en de leefbaarheid in de buurt als neergelegd in artikel 3.2.5, aanhef en onder b, van de Verordening 2019.
Betrokken advocaten
mr. V.C.M. Feber-van den Berg
appellant
mr. E. van Lunteren
appellant
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:621, Raad van State, 04-02-2026, 202503719/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2026:447, Raad van State, 28-01-2026, 202505434/2/R4
Raad van State · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RVS:2026:347, Raad van State, 21-01-2026, 202501459/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2026:343, Raad van State, 21-01-2026, 202405321/1/R4
Raad van State · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
5 november 2025
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202402190/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:5352