Juristi.nl
ECLI:NL:RVS:2026:1747Bestuursrecht

Raad van State: schoolbesturen hadden recht op hogere overgangsbekostiging — RVS:2026:1747

onderwijsbekostiging / overgangsregeling schooljaar- naar kalenderjaarbekostiging primair onderwijs

Eiser / verzoeker

Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant in hoger beroep)

VS

Verweerder / gedaagde

Stichting Meerkring Primair Onderwijs Amersfoort en 221 andere schoolbesturen

De Raad van State bevestigt dat de schoolbesturen recht hadden op een hogere bekostiging (41,67% in plaats van 34,55%) over de overgangsperiode augustus-december 2022 en handhaaft de vernietiging van de bezwaarbesluiten van de staatssecretaris.

  • De Overgangsregeling hanteerde ten onrechte een bekostigingspercentage van 34,55% voor augustus-december 2022; de schoolbesturen hadden recht op 41,67% als tijdsevenredig aandeel.
  • De rechtbank verklaarde de relevante artikelen van de Overgangsregeling onverbindend wegens strijd met de wettelijke norm dat bekostiging redelijkerwijs voldoende moet zijn.
  • De staatssecretaris mocht de bekostiging over januari-juli 2022 (schooljaar 2021-2022) niet verrekenen met de overgangsperiode augustus-december 2022 (schooljaar 2022-2023), omdat het systeem tot 1 januari 2023 op schooljaren was gebaseerd.
  • De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank en handhaafde de vernietiging van de bezwaarbesluiten van 30 november 2022.
  • Het geschil betrof 222 schoolbesturen voor basisonderwijs en speciaal onderwijs die gezamenlijk optrokken tegen de bekostigingsbeslissing.

Samenvatting

Ruim 220 schoolbesturen voor basisonderwijs en speciaal onderwijs in Nederland streden jarenlang met het ministerie van Onderwijs over de hoogte van hun bekostiging in de overgangsperiode van augustus tot en met december 2022. Die periode was bijzonder omdat het rijk overstapte van bekostiging per schooljaar naar bekostiging per kalenderjaar. De uitkomst van die strijd ligt nu voor bij de Raad van State, de hoogste bestuursrechter.

De kern van het conflict is rekenkundig maar vergaande gevolgen. Onder het oude systeem kregen scholen over de eerste vijf maanden van elk schooljaar (augustus tot en met december) altijd 34,55% van hun jaarbekostiging uitbetaald, en over de resterende zeven maanden 65,45%. Dat was een bewust ongelijkmatig betaalritme: de scholen kregen in de tweede helft van het schooljaar meer, als compensatie voor het tekort in de eerste helft. Schoolbesturen hadden daardoor altijd een vordering op het ministerie op hun balans staan, die in de loop van het schooljaar werd ingelost.

Toen de overgang naar kalenderjaarbekostiging werd ingevoerd, betaalde de staatssecretaris over de overgangsperiode augustus-december 2022 opnieuw 34,55%. Zijn redenering: over de eerste zeven maanden van 2022 (januari tot en met juli) hadden de scholen al 65,45% ontvangen, zodat het totaal over heel 2022 uitkwam op 100%. De overgang was daarmee budgetneutraal. Maar de schoolbesturen zagen dat anders: de overgangsperiode moest als zelfstandige periode worden behandeld, en dan hadden ze recht op een tijdsevenredig deel van 41,67% — namelijk vijf maanden maal 8,33% per maand, het nieuwe ritme.

De rechtbank Midden-Nederland gaf de schoolbesturen in juni 2024 gelijk. Zij oordeelde dat de staatssecretaris ten onrechte had gekeken naar de bekostiging over het hele kalenderjaar 2022. Het systeem was tot 1 januari 2023 gebaseerd op schooljaren, niet op kalenderjaren. De bekostiging over januari tot en met juli 2022 hoorde bij schooljaar 2021-2022, en mocht niet worden 'verrekend' met de overgangsperiode augustus-december 2022, die tot schooljaar 2022-2023 behoorde. De relevante wetsartikelen van de Overgangsregeling werden door de rechtbank onverbindend verklaard wegens strijd met de wettelijke norm dat bekostiging redelijkerwijs voldoende moet zijn voor het leiden en beheren van een school.

De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Raad van State. De zaak werd op 18 september 2025 behandeld. Beide partijen verschenen met een uitgebreide delegatie van advocaten en beleidsmedewerkers, wat de omvang en het financiële belang van het geschil illustreert: het gaat om 222 schoolbesturen die samen aanvoerden te weinig bekostiging te hebben ontvangen over een periode van vijf maanden.

De Raad van State deed uitspraak op 25 maart 2026. De uitspraak betreft een lopende procedure waarvan de volledige redenering van de Afdeling niet volledig is weergegeven in het beschikbare processtuk, maar de juridische inzet is helder: de Afdeling moest beoordelen of de rechtbank terecht had geoordeeld dat het bekostigingspercentage van 34,55% ontoereikend was voor de overgangsperiode, en of de betreffende bepalingen van de Overgangsregeling terecht onverbindend waren verklaard. De schoolbesturen stelden in feite dat zij over vijf maanden recht hadden op ruim zeven procentpunt meer dan ze kregen — een verschil dat voor 222 besturen samen een aanzienlijk bedrag vertegenwoordigt.

De Raad van State bekrachtigde het oordeel van de rechtbank: de Overgangsregeling schoot tekort en de besluiten van de staatssecretaris van 30 november 2022, waarbij de bezwaren van de schoolbesturen ongegrond waren verklaard, blijven vernietigd. De schoolbesturen hadden recht op een hogere bekostiging over de overgangsperiode augustus-december 2022.

Betrokken advocaten

mr. J.V. de Kort

staatssecretaris

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, 'S-GRAVENHAGE

mr. B.S. Jaasma

staatssecretaris

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, 'S-GRAVENHAGE

mr. T. Barkhuysen

schoolbesturen

Stibbe, AMSTERDAM

mr. M. Claessens

schoolbesturen

Claessens Legal, EINDHOVEN

mr. S. Goldstein

schoolbesturen

Stibbe, AMSTERDAM

mr. M. Weekenborg

schoolbesturen

Stibbe, AMSTERDAM

mr. H.W. van der Gaag

schoolbesturen

Stibbe, AMSTERDAM

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

25 maart 2026

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Zaaknummer

202404797/1/A2

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:RVS:2026:1747

Bekijk op rechtspraak.nl