Raad van State: Afghaan loopt geen risico door westers verblijf — RVS:2026:1768
asiel / terugkeer naar Afghanistan / risicobeoordeling westerse invloed
Eiser / verzoeker
minister van Asiel en Migratie (appellant in hoger beroep)
Verweerder / gedaagde
Afghaanse asielzoeker (betrokkene)
De Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de asielzoeker ongegrond — de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.
- Afghanen die vrijwillig terugkeren na verblijf in het Westen vormen geen risicogroep met recht op bescherming louter op die grond
- De minister hoefde geen nader onderzoek te doen naar risico's voor Afghaanse terugkeerders uit Europa
- De Raad van State sluit aan bij eerdere uitspraak van november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4648) over dit thema
- Hoger beroep van de minister gegrond; rechtbankuitspraak vernietigd en beroep asielzoeker alsnog ongegrond verklaard
Samenvatting
Een Afghaanse asielzoeker vroeg in Nederland een verblijfsvergunning aan, maar de minister van Asiel en Migratie wees die aanvraag af. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, gaf de asielzoeker aanvankelijk gelijk en vernietigde het afwijzende besluit. De minister ging daartegen in hoger beroep bij de Raad van State.
Het centrale juridische punt in deze zaak was de vraag of Afghanen die in een westers land hebben gewoond, bij terugkeer naar Afghanistan automatisch een verhoogd risico lopen op ernstige schade. De asielzoeker stelde in wezen dat zijn verblijf in het Westen hem in gevaar zou brengen als hij zou terugkeren.
De Raad van State heeft eerder, in november 2024, al een richtinggevende uitspraak gedaan over dit thema. Daarin oordeelde de Afdeling dat uit openbare bronnen niet blijkt dat Afghanen die vrijwillig terugkeren na een verblijf in het Westen, louter om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen. Ze vormen daarmee geen beschermde groep die automatisch in aanmerking komt voor asiel op die grond.
De minister hoefde dan ook geen nader onderzoek in te stellen naar de specifieke risico's voor deze categorie terugkeerders. De Raad van State volgde dat standpunt en concludeerde dat de grief van de minister terecht was. Omdat er ook geen andere beroepsgronden waren die de rechtbank had moeten beoordelen maar had overgeslagen, kon de Raad van State de zaak zelf afdoen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het oorspronkelijke beroep van de asielzoeker alsnog ongegrond. De afwijzing van de asielaanvraag blijft daarmee in stand.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:259, Raad van State, 19-01-2026, BRS.25.002027
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:788, Rechtbank Den Haag, 12-01-2026, NL24.30644
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24344, Rechtbank Den Haag, 18-12-2025, NL25.54527
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24345, Rechtbank Den Haag, 18-12-2025, NL25.54528
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
26 maart 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
202405996/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1768