Juristi.nl
ECLI:NL:RVS:2026:1779Bestuursrecht

Raad van State schorst Woo-uitspraken wegens mogelijk misbruik — RVS:2026:1779

Wet open overheid (Woo) / misbruik van recht / voorlopige voorziening bestuursrecht

Eiser / verzoeker

minister van Justitie en Veiligheid (verzoeker voorlopige voorziening)

VS

Verweerder / gedaagde

burger (wederpartij, Woo-verzoeker)

De voorzieningenrechter schorst de zes rechtbankuitspraken en bepaalt dat de minister voorlopig geen nieuwe besluiten hoeft te nemen op de bezwaren van de wederpartij.

  • Minister stelde zich op het standpunt dat de burger misbruik van recht maakt als bedoeld in artikel 4.6 Woo, vanwege de grote hoeveelheid verzoeken en procedures gericht op het innen van dwangsommen
  • Rechtbank Noord-Nederland oordeelde dat het misbruikstandpunt ten onrechte was ingenomen en droeg de minister op nieuwe beslissingen te nemen
  • Voorzieningenrechter Raad van State schorst de zes rechtbankuitspraken in afwachting van de bodemprocedure
  • Het belang van de minister om geen uitvoering te geven aan de uitspraken weegt zwaarder, nu de burger geen bijzonder spoedeisend belang bij snelle openbaarmaking heeft aangetoond

Samenvatting

De minister van Justitie en Veiligheid heeft bij de Raad van State met succes een voorlopige voorziening gevraagd om zes uitspraken van rechtbank Noord-Nederland te laten schorsen. Die rechtbankuitspraken verplichtten de minister om opnieuw te beslissen op bezwaren van een burger die meerdere verzoeken had ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo).

De minister weigerde inhoudelijk te reageren op de Woo-verzoeken van de betreffende burger, omdat hij meende dat sprake was van misbruik van recht. Daarbij wees hij op de grote hoeveelheid procedures, de buitensporige reikwijdte van de verzoeken, de korte periode waarbinnen die werden ingediend, de zware belasting voor de organisatie en het patroon van klachten en procedures dat er primair op gericht leek te zijn dwangsommen te innen — niet om daadwerkelijk overheidsinformatie te verkrijgen.

De rechtbank Noord-Nederland oordeelde in januari 2026 dat de minister dit standpunt ten onrechte had ingenomen en droeg hem op binnen twaalf weken nieuwe beslissingen te nemen. De minister ging daartegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening, zodat hij die opdracht hangende het hoger beroep niet hoefde uit te voeren.

De voorzieningenrechter van de Raad van State gaf de minister gelijk. Wanneer de verzoeken zouden worden afgewezen, zou de minister meteen aan het werk moeten voor de voorbereiding van nieuwe besluiten — terwijl hij gemotiveerd heeft betoogd dat er sprake is van misbruik van recht. Bovendien is niet gebleken dat de burger een bijzonder spoedeisend belang heeft bij snelle openbaarmaking van de gevraagde documenten. Die belangen wegen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op tegen het belang van de minister om de uitkomst van de bodemprocedure af te wachten.

De zes uitspraken van de rechtbank zijn daarmee tijdelijk buiten werking gesteld. De minister hoeft voorlopig geen nieuwe inhoudelijke besluiten te nemen op de bezwaren van de burger, totdat de Afdeling bestuursrechtspraak in de hoofdzaak een definitief oordeel heeft geveld.

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

27 maart 2026

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Zaaknummer

202600688/3/A3, 202600689/3/A3, 202600690/3/A3, 202600691/3/A3, 202600692/3/A3 en 202600694/3/A3.

Procedure

Vereenvoudigde behandeling

ECLI

ECLI:NL:RVS:2026:1779

Bekijk op rechtspraak.nl