In Marokko wonende man verliest Nederlanderschap door onwetendheid niet terug — RVS:2026:1790
nationaliteitsrecht / paspoortaanvraag / verlies Nederlanderschap van rechtswege
Eiser / verzoeker
verzoeker, wonend in Marokko
Verweerder / gedaagde
minister van Buitenlandse Zaken
Hoger beroep ongegrond verklaard; de weigering om de paspoortaanvraag in behandeling te nemen blijft in stand.
- Man verloor Nederlanderschap op 1 april 2013 van rechtswege op grond van artikel 15 lid 1 sub c RWN na tien jaar onafgebroken hoofdverblijf in Marokko met behoud van Marokkaanse nationaliteit
- Onwetendheid over het bezit van de Nederlandse nationaliteit is geen grond om het verlies van rechtswege te voorkomen of ongedaan te maken
- Alleen Nederlanders hebben recht op een Nederlands paspoort; de aanvraag is terecht niet in behandeling genomen
- Hoger beroepsgronden beperkten zich tot persoonlijke wensen voor een paspoort, zonder juridische onderbouwing van de onjuistheid van het rechtbankoordeel
Samenvatting
Een man die in Marokko woont, probeerde via de Nederlandse ambassade in Rabat een Nederlands paspoort te verkrijgen. De minister van Buitenlandse Zaken weigerde zijn aanvraag echter zelfs in behandeling te nemen, omdat de man al jaren geen Nederlander meer is. De Raad van State bevestigde die weigering op 31 maart 2026.
De man had op 8 mei 2024 een paspoortaanvraag ingediend. Volgens de minister was dat zinloos, omdat de man zijn Nederlandse nationaliteit op 1 april 2013 van rechtswege had verloren. De reden: hij bezit ook de Marokkaanse nationaliteit en had vanaf 1 april 2003 tien jaar onafgebroken zijn hoofdverblijf in Marokko. Onder de Rijkswet op het Nederlanderschap verliest iemand in die situatie automatisch het Nederlanderschap na tien jaar, tenzij die termijn tijdig wordt gestuit — bijvoorbeeld door het aanvragen van een paspoort of door zich in te schrijven bij een Nederlandse ambassade. Dat was hier niet gebeurd.
De man voerde aan dat hij tijdens die tien jaar niet wist dat hij überhaupt de Nederlandse nationaliteit bezat. Dat argument snijdt juridisch geen hout, zo oordeelde zowel de rechtbank Den Haag als de Raad van State. De Rijkswet bepaalt namelijk uitputtend onder welke omstandigheden het Nederlanderschap wordt verkregen, behouden blijft of verloren gaat. Persoonlijke onwetendheid is daarin geen uitzondering; de wet werkt van rechtswege, dus zonder dat iemand er iets voor hoeft te doen of te weten.
In hoger beroep bij de Raad van State voerde de man aan dat hij graag een Nederlands paspoort zou willen hebben, en noemde daarvoor verschillende redenen. De Raad van State oordeelde echter dat dit geen juridisch argument is om de uitspraak van de rechtbank te betwisten. De man had niet onderbouwd waaróm de rechtbank juridisch onjuist had geoordeeld.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om een voorlopige voorziening — waarmee de man waarschijnlijk wilde bewerkstelligen dat er alvast een paspoort werd verstrekt — werd eveneens afgewezen, nu er in de hoofdzaak al uitspraak was gedaan.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:476, Raad van State, 28-01-2026, 202502764/1/A2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2026:472, Raad van State, 28-01-2026, 202503035/1/A2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:2404, Raad van State, 28-05-2025, 202203354/1/R2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:1829, Raad van State, 23-04-2025, 202401901/2/V3
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202504237/1/A3 en 202504237/2/A3
Procedure
Voorlopige voorziening+bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1790