Minister hoeft asieluitspraak voorlopig niet uit te voeren — RVS:2026:1797
asiel / voorlopige voorziening hangende hoger beroep
Eiser / verzoeker
minister van Asiel en Migratie
Verweerder / gedaagde
asielzoeker (betrokkene)
De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening toe: de minister hoeft de uitspraak van de rechtbank Den Haag niet uit te voeren totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
- Voorzieningenrechter acht het voorlopig niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank Den Haag in hoger beroep stand houdt
- Voorlopige voorziening toegewezen: minister hoeft geen nieuw asielbesluit te nemen tot uitspraak in hoger beroep
- Procedure met toepassing van artikel 8:83 lid 3 Awb behandeld, zonder zitting
- Geen proceskostenveroordeling opgelegd
Samenvatting
De minister van Asiel en Migratie heeft met succes een voorlopige voorziening aangevraagd bij de Raad van State, waarmee hij tijdelijk vrijgesteld wordt van de verplichting een gunstige rechterlijke uitspraak voor een asielzoeker uit te voeren.
De zaak draait om een asielzoeker wiens verblijfsvergunning op 14 oktober 2025 door de minister was afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de asielzoeker op 10 maart 2026 gegrond, vernietigde dat afwijzingsbesluit en droeg de minister op een nieuw besluit te nemen. De minister was het niet eens met dit oordeel en ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tegelijkertijd vroeg de minister de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening: de minister wilde niet verplicht worden de rechtbankuitspraak al uit te voeren terwijl het hoger beroep nog loopt. Een dergelijke voorziening wordt alleen toegewezen als er serieuze twijfel bestaat of de aangevochten uitspraak stand zal houden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het voorlopig niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank Den Haag in hoger beroep overeind blijft. Op basis daarvan, en na afweging van de belangen van zowel de minister als de asielzoeker, werd de voorlopige voorziening toegewezen. De minister hoeft daarmee pas een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag nadat de Afdeling bestuursrechtspraak definitief uitspraak heeft gedaan in het hoger beroep.
Gegevens
Datum uitspraak
3 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
BRS.26.001265
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1797