Tilburgse padelhal mag toch gebouwd worden na nieuw parkeervergunningsbesluit — RVS:2026:1922
omgevingsvergunning / afwijking bestemmingsplan parkeerregeling / ruimtelijke ordening
Eiser / verzoeker
Tilburgs bedrijf (appellante), aanvrager omgevingsvergunning padelhal
Verweerder / gedaagde
College van burgemeester en wethouders van Tilburg en omwonenden in wijk Dalem
Hoger beroep gegrond verklaard; het nieuwe besluit van het college van december 2024 waarbij de omgevingsvergunning voor de padelhal in stand blijft, is rechtmatig en de beroepen van omwonenden daartegen worden ongegrond verklaard.
- De besluiten op bezwaar van januari 2023 waren onvolledig omdat geen expliciete omgevingsvergunning was verleend voor de afwijking van het bestemmingsplan 'Tilburg Parkeerregeling 2017'; de rechtbank oordeelde terecht dat dit een gebrek opleverde.
- Het college herstelelde dit gebrek met een nieuw besluit in december 2024, waarbij alsnog een vergunning voor de parkeerafwijking werd verleend en de motivering werd aangevuld.
- De Raad van State beoordeelde het nieuwe besluit inhoudelijk en oordeelde dat het parkeeronderzoek toereikend was en de belangenafweging voldoende zorgvuldig.
- Late stukken van omwonenden (notitie VAGN en parkeeropnames) werden gedeeltelijk buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.
- Het hoger beroep van de vergunninghouder wordt gegrond verklaard en de beroepen van omwonenden tegen het nieuwe besluit worden ongegrond verklaard.
Samenvatting
Een Tilburgs bedrijf dat een sporthal wil bouwen met acht padelbaantjes, horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes aan de rand van de wijk Dalem in Tilburg, heeft jarenlang juridisch gesteggeld met omwonenden over de omgevingsvergunning. De buren vreesden vooral parkeeroverlast: er zouden onvoldoende parkeerplaatsen op eigen terrein worden aangelegd.
Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg had in maart 2022 een omgevingsvergunning verleend voor het bouwplan. Maar na bezwaren van omwonenden moest het college de zaak opnieuw bekijken. In januari 2023 werden die bezwaren ongegrond verklaard en bleef de vergunning overeind. De rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigde die besluiten echter in mei 2024, omdat het college had nagelaten ook een vergunning te verlenen voor de afwijking van het bestemmingsplan 'Tilburg Parkeerregeling 2017'. Dat plan schrijft voor hoeveel parkeerplaatsen een bepaald gebouw moet hebben, en de padelhal voldeed daar niet aan op eigen terrein. De rechtbank droeg het college op een nieuw besluit te nemen.
Het bedrijf ging in hoger beroep bij de Raad van State. Tegelijkertijd hernam het college de procedure en nam in december 2024 alsnog een nieuw besluit, waarbij de bezwaren opnieuw ongegrond werden verklaard. Dit keer werd de motivering aangevuld en werd ook uitdrukkelijk een omgevingsvergunning verleend voor de afwijking van de parkeerregeling.
De Raad van State moest beoordelen of de rechtbank terecht had gehandeld. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank inderdaad gelijk had: uit de besluiten van januari 2023 bleek onvoldoende dat een vergunning was verleend voor de parkeerafwijking. Het college had dat destijds expliciet moeten doen, maar dat was niet duidelijk genoeg gebeurd. Het hoger beroepsargument van het bedrijf dat de rechtbank het gebrek had kunnen passeren of een zogenoemde 'bestuurlijke lus' had kunnen toepassen, vond de Afdeling begrijpelijk maar slaagde niet: de rechtbank had voldoende redenen om te kiezen voor een volledige vernietiging en een nieuwe beslissingsronde.
De kern van het geschil verschoof daarna naar het nieuwe besluit van december 2024. De omwonenden betwistten ook dit besluit: zij vonden het parkeeronderzoek ondeugdelijk en betoogden dat de parkeeroverlast in de wijk onaanvaardbaar zou worden. De Afdeling heeft dat nieuwe besluit inhoudelijk beoordeeld en geconcludeerd dat het college de parkeerproblematiek voldoende zorgvuldig heeft afgewogen. Het parkeeronderzoek dat aan de vergunning ten grondslag lag, werd toereikend bevonden. De bezwaren van de omwonenden over de parkeernorm en de locatiekeuze konden het besluit niet onderuithalen.
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover die nog relevant is, en laat het nieuwe besluit van december 2024 — waarbij de omgevingsvergunning voor de padelhal in stand is gebleven — in stand. De beroepen van de omwonenden tegen dat nieuwe besluit worden ongegrond verklaard. De padelhal mag daarmee worden gebouwd.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:14810, Rechtbank Den Haag, 18-06-2025, C/09/669758 / HA ZA 24-605
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht
ECLI:NL:RBZWB:2024:1170, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21-02-2024, C/02/404923 / HA ZA 23-2 (E)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBZWB:2024:547, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-01-2024, C/02/417441 / KG ZA 23-623 (E)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Civiel Recht; Burgerlijk Procesrecht
ECLI:NL:RBZWB:2023:9072, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20-12-2023, C/02/407774 / HA ZA 23-164 (E)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
8 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
Bestuursrecht; OmgevingsrechtZaaknummer
202404376/1/R2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1922