VU hoeft student geen extra herkansing te geven na ziek stiefvader — RVS:2026:1924
hoger onderwijsrecht / examenrecht / extra herkansing pre-master
Eiser / verzoeker
student (appellant)
Verweerder / gedaagde
College van Beroep voor de Examens van de Vrije Universiteit Amsterdam (CBE)
Beroep gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand: de VU hoeft de student geen extra herkansing aan te bieden; het CBE moet €1.868 aan proceskosten vergoeden.
- De algemene hardheidsclausule (art. 5.1 OER) is op grond van art. 7.4 lid 1 OER uitdrukkelijk uitgesloten van toepassing op de pre-master.
- Het CBE heeft een motiveringsgebrek begaan door in zijn beslissing geen evenredigheidstoets uit te voeren ondanks het betoog van de student over persoonlijke omstandigheden.
- De Raad van State laat de rechtsgevolgen in stand omdat het CBE in de beroepsprocedure alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd dat de weigering evenredig is, mede gelet op de bijzondere financiële structuur van de pre-master.
- Het niet vooraf melden van persoonlijke omstandigheden bij de studieadviseur weegt zwaar: daardoor kon de VU geen alternatieven bespreken en worden de organisatorische lasten achteraf groter.
- De student is niet definitief uitgesloten van de master Finance; hij kan het vak via de bacheloropleiding opnieuw behalen en daarna toelating verzoeken.
Samenvatting
Een student van de Vrije Universiteit Amsterdam vroeg om een extra tentamenkans voor het vak 'Investments' binnen zijn pre-master Finance. Hij had beide reguliere tentamens niet gehaald — zijn laatste poging leverde een 5,37 op — terwijl hij in die periode het nieuws had gekregen dat zijn stiefvader ongeneeslijk ziek was. De examencommissie en het College van Beroep voor de Examens (CBE) wezen zijn verzoek af. De student stapte vervolgens naar de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de VU juridisch gelijk had over de kern van de zaak: in de Onderwijs- en Examenregeling (OER) is de bevoegdheid om extra herkansingen aan te bieden uitdrukkelijk uitgesloten voor pre-mastervakken. Ook de algemene hardheidsclausule — een escape die in bijzondere omstandigheden afwijking van de regels mogelijk maakt — is in de OER bewust niet van toepassing verklaard op de pre-master.
Toch vernietigde de Raad van State de beslissing van het CBE, maar niet omdat de inhoud verkeerd was. Het probleem zat in de motivering: het CBE had in zijn formele beslissing niet uitgelegd of de afwijzing ook evenredig was gezien de persoonlijke omstandigheden van de student. Dat is een motiveringsgebrek. Wel had het CBE dit tijdens de beroepsprocedure alsnog uitgebreid toegelicht, zowel in een verweerschrift als op de zitting.
Die nadere toelichting overtuigde de Raad van State. Het CBE wees erop dat de student zijn persoonlijke situatie niet vooraf had gemeld bij de studieadviseur, waardoor de VU geen alternatieven had kunnen bespreken. Bovendien is een pre-master financieel bijzonder: de instelling ontvangt er geen extra bekostiging voor, terwijl het achteraf organiseren van een extra tentamen relatief veel geld en moeite kost. Verder had de student gewoon aan het hertentamen deelgenomen, wat erop wijst dat zijn omstandigheden hem niet hebben verhinderd mee te doen.
Daarnaast is de student niet definitief van de masteropleiding uitgesloten. Het vak 'Investments' maakt ook deel uit van een bacheloropleiding en de student kan het vak opnieuw volgen vanaf mei 2026. Als hij dat haalt, kan de toelatingscommissie hem alsnog toelaten tot de master Finance — met de eerder behaalde pre-masterresultaten meegewogen. Het CBE verklaarde dat een dergelijk verzoek welwillend zal worden bekeken.
De Raad van State liet de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing dan ook in stand: de extra herkansing hoeft de VU niet te verstrekken. Wel moet het CBE de proceskosten van de student vergoeden, vastgesteld op €1.868.
Betrokken advocaten
mr. B.F. Donner
verweerder
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:631, Raad van State, 04-02-2026, 202505846/1/A2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:6327, Raad van State, 24-12-2025, 202505371/1/A2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:6126, Raad van State, 17-12-2025, 202505408/1/A2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:6118, Raad van State, 17-12-2025, 202503033/1/A2
Raad van State · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
8 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202506203/1/A2
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1924