Raad van State handhaaft dwangsom voor gevaarlijke palen en balken in berm — RVS:2026:1926
last onder dwangsom / handhaving APV / gebruik openbare berm
Eiser / verzoeker
appellant, wonend in Weesp
Verweerder / gedaagde
college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren
Hoger beroep ongegrond verklaard; de last onder dwangsom van €1.500 per week (maximaal €15.000) voor het verwijderen van palen en balken uit de berm blijft in stand.
- Eigendom en onderhoud van een groenstrook zijn niet doorslaggevend voor de vraag of die strook als berm van de openbare weg geldt; de afstand tot de wegverharding is bepalend.
- Zware stalen palen en betonnen balken op 1,5-2 meter van de rijbaan zijn 'obstakels' (geen botsveilige objecten) en belemmeren de bruikbaarheid van de weg; gemeente mocht obstakelvrije zone van 1,5 meter hanteren.
- Beroep op evenredigheidsbeginsel faalt: gemeente mocht verkeersveiligheidsbelang zwaarder laten wegen en hoefde last niet te beperken tot enkel de balken.
- Beroep op gelijkheidsbeginsel faalt: vergelijkbare objecten langs de weg zijn deels constructief anders (botsveilig), en prioritering van handhaving op basis van ingediende klachten is toegestaan.
Samenvatting
Een inwoner van Weesp plaatste stalen palen en zware betonnen balken in de berm voor de woning van zijn buren aan de Eilandseweg in Nederhorst den Berg. Hij deed dit om zijn eigendom af te bakenen, nadat de buren tijdens de bouw van hun woning de berm zouden hebben gebruikt voor graafwerkzaamheden en een inrit. De gemeente Wijdemeren legde hem daarop een last onder dwangsom op: de palen en balken moesten worden verwijderd, op straffe van €1.500 per week met een maximum van €15.000.
De man vocht de handhaving aan tot aan de Raad van State. Hij stelde onder meer dat de strook grond waarop de objecten stonden helemaal geen berm was van de openbare weg. Het eigendom lag immers bij hem, de gemeente onderhield de strook niet en het bestemmingsplan kende de grond niet de bestemming 'verkeer' toe. De Raad van State verwierp dit argument. Bepalend is niet wie eigenaar is of wie het onderhoud doet, maar simpelweg de afstand tot de wegverharding. Omdat de palen en balken op slechts 1,5 tot 2 meter van het wegdek stonden, behoorde de strook gewoon tot de berm. Opmerkelijk: zelfs de eigen verkeersdeskundige van de man bevestigde dit.
Vervolgens bestreed hij dat de objecten de bruikbaarheid van de weg zouden belemmeren. Zijn verkeersdeskundige concludeerde dat de situatie niet verkeersonveilig was, mede omdat er voldoende rijruimte over was. Ook beriep hij zich op een CROW-richtlijn die een minimumafstand van 1 meter tot de verharding voorschrijft voor liggende betonpalen, terwijl de gemeente een afstand van 1,5 meter hanteerde. De Raad van State volgde hem niet. Anders dan verkeersborden of lantaarnpalen zijn de zware stalen palen en betonnen balken geen 'botsveilige objecten': ze geven niet mee bij een aanrijding. Volgens het Handboek Wegontwerp 2013 moeten dergelijke obstakels bij voorkeur verwijderd worden uit een obstakelvrije zone van minimaal 1,5 meter. De gemeente mocht deze norm hanteren.
De man probeerde het ook via het evenredigheidsbeginsel: hij stelde dat de last te ver ging en dat volstaan had kunnen worden met enkel het verwijderen van de balken. De Raad van State oordeelde dat de gemeente het belang van verkeersveiligheid zwaarder mocht laten wegen dan zijn persoonlijke belangen, en geen reden hoefde te zien om de last te beperken tot alleen de balken.
Tot slot wees hij op andere objecten langs dezelfde weg die dichter bij de rijbaan staan, zonder dat de gemeente daartegen optreedt. Dat beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde evenmin. Een deel van die objecten zijn verkeersborden of gebouwen die constructief anders zijn. Bovendien had de gemeente toegelicht dat zij handhaving prioriteit had gegeven omdat er een verzoek om handhaving was ingediend door de buren. De Raad van State achtte dit niet onredelijk: een gemeente mag haar handhavingscapaciteit richten op situaties waarover klachten binnenkomen.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De dwangsom van €1.500 per week, met een maximum van €15.000, blijft daarmee in stand.
Gegevens
Datum uitspraak
8 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202401891/1/A3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1926