Raad van State verwerpt beroep over extra woning bij cultuurhistorische boerderij — RVS:2026:1950
bestemmingsplan / ruimtelijke ordening / woonbestemming extra woning
Eiser / verzoeker
Appellant, wonend in Uden
Verweerder / gedaagde
Raad van de gemeente Maashorst
Het beroep is ongegrond verklaard; het bestemmingsplan dat een extra woning bij de cultuurhistorische boerderij toestaat blijft in stand.
- Het vervallen van de vab-aanduiding levert appellant geen aantoonbaar nadeel op, nu er geen activiteiten in verbrede landbouw meer plaatsvonden op zijn perceel.
- De vermelding in de plantoelichting over intrekking van de milieuvergunning is juridisch niet bindend en de gemeente is daarvoor ook niet het bevoegd gezag.
- De gemeente heeft de belangen van appellant meegewogen maar minder zwaar laten wegen dan het cultuurhistorisch belang van herstel van de boerderij.
- De aanwezigheid van een kerkuilroestplaats staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg, nu niet is aangetoond dat renovatie van de betrokken stal onvermijdelijk is.
Samenvatting
Een bewoner van een voormalige agrarische bedrijfswoning in Uden verzette zich tegen een nieuw bestemmingsplan van de gemeente Maashorst. Dat plan maakt het mogelijk dat de buurman een cultuurhistorisch waardevolle boerderij restaureert en verbouwt tot woonhuis — een extra woning die voorheen niet was toegestaan. De appellant vreesde verlies van milieurechten en aantasting van zijn woon- en leefklimaat.
De appellant had onder het oude bestemmingsplan een functieaanduiding als 'voormalige agrarische bedrijfsbebouwing' (vab), die nevenfuncties toestond zoals agrotoerisme, agrarisch natuurbeheer en zorgboerderijen. Die aanduiding is in het nieuwe plan komen te vervallen. Ook stond in de plantoelichting dat zijn milieuvergunning voor het houden van melkrundvee zou worden ingetrokken.
De Raad van State oordeelde dat de gemeente zijn perceel terecht bij het plan heeft betrokken, omdat beide percelen in hetzelfde bestemmingsvlak liggen. Dat de vab-aanduiding is vervallen, levert de appellant geen aantoonbaar nadeel op: er vonden op zijn perceel ten tijde van de planvaststelling geen activiteiten meer plaats die verband houden met verbrede landbouw. De vermelding over intrekking van de milieuvergunning staat bovendien alleen in de niet-bindende plantoelichting; het vaststellingsbesluit voorziet daar niet in, en de gemeente is ook niet het bevoegde gezag voor zo'n intrekking.
Over de aantasting van het woon- en leefklimaat stelde de appellant dat de nieuwe woning — op ongeveer 13 meter afstand — rechtstreeks zicht op zijn perceel geeft en geluidsoverlast kan veroorzaken. De Raad van State vond dat de gemeente de belangen van de appellant wél had meegewogen, maar die minder zwaar heeft laten wegen dan het belang van behoud en herstel van de cultuurhistorisch waardevolle boerderij. Gelet op de beperkte effecten op geluid, verkeer en privacy was dat standpunt houdbaar.
Ten slotte betoogde de appellant dat het plan niet uitvoerbaar is vanwege de aanwezigheid van een kerkuilroestplaats in de te renoveren zuidelijke stal. Uit een quickscan bleek dat daarvoor een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. De Raad van State wees dit argument af: niet is aangetoond dat de woonbestemming alleen uitvoerbaar is als juist die stal wordt gerenoveerd. De uitvoering kan ook op een manier plaatsvinden waarbij de wet niet wordt overtreden.
De Raad van State verklaarde het beroep ongegrond. Het bestemmingsplan blijft daarmee in stand en de buurman kan de restauratie van de cultuurhistorische boerderij tot woonhuis voortzetten.
Gegevens
Datum uitspraak
8 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202405585/1/R2
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1950