Raad van State bevestigt omgevingsvergunning Kerk & Co voor constructieve doorbraak — RVS:2026:1955
omgevingsvergunning / bouwactiviteit / constructieve doorbraak
Eiser / verzoeker
Haagse omwonende (appellant)
Verweerder / gedaagde
College van burgemeester en wethouders van Den Haag
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning voor de constructieve doorbraak in het pand van Kerk & Co B.V. blijft in stand.
- Bij beoordeling van een omgevingsvergunning wordt uitgegaan van het opgegeven gebruik, tenzij aannemelijk is dat het bouwwerk voor andere doeleinden wordt ingezet — dat bewijs leverde appellant niet.
- Het college mocht vertrouwen op de goedkeuring van constructieve berekeningen door het gemeentelijke team Bouwconstructie.
- Het ontbreken van een tegenrapport van een bouwkundige deskundige verzwakte de positie van de appellant doorslaggevend.
- Op de aanvraag uit juni 2023 blijft de Wabo (oud recht) van toepassing, ondanks de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024.
- De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag en wijst het hoger beroep af.
Samenvatting
Een Haagse omwonende probeerde tevergeefs een omgevingsvergunning te blokkeren die het college van burgemeester en wethouders van Den Haag had verleend aan Kerk & Co B.V. Die vergunning betrof een constructieve doorbraak in een pand aan de Stationsweg 6 in Den Haag, waarbij een muur tussen twee delen van het gebouw wordt verwijderd.
Kerk & Co B.V. huurt het pand en wil de twee gedeelten met elkaar verbinden. Volgens de aanvraag zou het voorste deel van de begane grond worden gebruikt voor maatschappelijke doeleinden, terwijl de ruimte achter de te verwijderen muur als kantoor in gebruik zou blijven. De omwonende was het hier niet mee eens en voerde aan dat het gehele pand feitelijk als kantoor wordt gebruikt en dat de constructieve ingreep bouwkundige risico's met zich meebrengt.
Het college verleende de vergunning in juni 2023. Nadat het bezwaar van de omwonende ongegrond werd verklaard, stapte hij naar de rechtbank Den Haag. Ook die wees het beroep af in februari 2024. Vervolgens trok de man de zaak door naar de Raad van State.
De hoogste bestuursrechter oordeelde dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat het pand op een andere manier zal worden gebruikt dan in de aanvraag omschreven. Bij de beoordeling van een omgevingsvergunning moet in principe worden uitgegaan van het gebruik dat de aanvrager opgeeft, tenzij aannemelijk is dat het bouwwerk voor andere doeleinden zal worden ingezet. De omwonende slaagde er niet in die twijfel te wekken.
Over de bouwkundige bezwaren oordeelde de Raad van State dat het college mocht vertrouwen op de constructieve berekeningen en het stempelplan die bij de aanvraag waren gevoegd. Deze documenten waren beoordeeld en goedgekeurd door het gemeentelijke team Bouwconstructie, dat ook inhoudelijk had gereageerd op de bezwaren van de appellant. Doorslaggevend was daarbij dat de omwonende geen eigen tegenrapport van een bouwkundige deskundige had ingebracht, wat zijn positie aanzienlijk verzwakte.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank: het hoger beroep is ongegrond en de omgevingsvergunning voor de constructieve doorbraak blijft in stand. Een proceskostenveroordeling voor het college bleef achterwege.
Betrokken advocaten
mr. S.J.C. Hocks
verweerder
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:494, Raad van State, 28-01-2026, 202402283/1/R3
Raad van State · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:971, Rechtbank Den Haag, 13-01-2026, 23/6638
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24140, Rechtbank Den Haag, 17-12-2025, 24/7741
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24141, Rechtbank Den Haag, 17-12-2025, 23/4712
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
8 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
Bestuursrecht; OmgevingsrechtZaaknummer
202401815/1/R3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1955