ECLI:NL:RVS:2026:236, Raad van State, 14-01-2026, 202206266/1/R4 — RVS:2026:236
Samenvatting
Bij besluit van 3 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest besloten tot invordering van door [appellant] verbeurde dwangsommen van in totaal € 45.000,00. [appellant] was tot 1 maart 2022 eigenaar van het recreatieterrein aan de [locatie]. Bij besluit van 17 juni 2019 heeft het college hem gelast om het gebruik van de recreatieverblijven anders dan voor recreatieve doeleinden te staken en gestaakt te houden. Hieraan is een dwangsom verbonden van € 5.000,00 per maand of deel van de maand dat niet geheel wordt voldaan aan deze last, met een maximaal te verbeuren bedrag van € 50.000,00. De (verlengde) termijn om aan de last te voldoen verstreek op 6 februari 2020. Volgens het college is in de periode van 6 februari 2020 tot en met 6 november 2020 het strijdige gebruik van de recreatieverblijven niet gestaakt. Dat blijkt uit gegevens in de Basisregistratie Personen en uit controles op het recreatieterrein. Het college heeft daarom besloten tot invordering van een totaalbedrag van € 45.000,00. Dit is negen maal de verbeurde maandelijkse dwangsom, omdat de eerste verbeurde dwangsom was verjaard.
Betrokken advocaten
mr. P.S. Dijkstra
appellant
mr. B.W.B.M. van den Bosch
appellant
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:348, Raad van State, 21-01-2026, 202303324/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2026:232, Raad van State, 14-01-2026, 202204395/1/R4
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2026:234, Raad van State, 14-01-2026, 202206226/1/R4
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2026:235, Raad van State, 14-01-2026, 202304433/1/R4
Raad van State · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
14 januari 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202206266/1/R4
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:236