ECLI:NL:RVS:2026:587, Raad van State, 03-02-2026, 202404021/4/A3 — RVS:2026:587
Samenvatting
Bij e-mailbericht, ingekomen op 23 januari 2026, heeft [verzoeker] in de procedure van de zaak nr. 202404021/4/A3 verzocht om wraking van de staatsraden mr. E.J. Daalder, mr. W. den Ouden en mr. J.M. Willems, dan wel de staatsraden mr. C.J. Borman, mr. C.C.W. Lange en mr. B. Meijer. [verzoeker] heeft erop gewezen dat de uitnodiging voor de wrakingszitting ten onrechte per email is verzonden, nu artikel 8:37, eerste lid Awb, bepaalt dat dit bij aangetekende brief geschiedt. De wrakingskamer wijst erop dat de bestuursrechter op basis van diezelfde bepaling de bevoegdheid heeft anders te bepalen. Daarvoor was in dit geval aanleiding, gelet op de korte duur tot de geplande behandeling van het verzet op de zitting van 3 februari 2026 om 15:15 uur. [verzoeker] heeft er verder op gewezen dat van hem niet kan worden gevergd dat hij op zo’n korte termijn afreist naar Den Haag. De wrakingskamer wijst erop dat in de uitnodiging voor de wrakingszitting wordt gewezen op de mogelijkheid digitaal aan de zitting deel te nemen. Een verzoek daartoe van [verzoeker] is evenwel niet ontvangen.
Betrokken advocaten
mr. E.J. Daalder
verzoeker
mr. W. den Ouden
verzoeker
mr. J.M. Willems
verzoeker
mr. C.J. Borman
verzoeker
mr. C.C.W. Lange
verzoeker
mr. B. Meijer
verzoeker
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2022:7266, Rechtbank Rotterdam, 18-08-2022, C/10/643075 / FA RK 22-5667
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBAMS:2021:3141, Rechtbank Amsterdam, 03-06-2021, C/13/701577 / KG ZA 21-360
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:GHAMS:2019:1519, Gerechtshof Amsterdam, 30-04-2019, 200.243.459/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:GHAMS:2015:5079, Gerechtshof Amsterdam, 01-12-2015, 200.154.436/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
3 februari 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202404021/4/A3
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:587