Juristi.nl
ECLI:NL:RVS:2026:642Bestuursrecht

Juridische strijd om Nederlands paspoort gaat verder na vervangend besluit — RVS:2026:642

nationaliteitsrecht / verlies Nederlanderschap / paspoortaanvraag

Eiser / verzoeker

[appellant], wonend in Canada

VS

Verweerder / gedaagde

minister van Buitenlandse Zaken

Het hoger beroep slaagt formeel omdat de minister een vervangend besluit heeft genomen, maar de inhoudelijke vraag of appellant het Nederlanderschap op 11 oktober 2021 heeft verloren wordt nu beoordeeld als beroep tegen het nieuwe besluit van 8 juli 2025.

  • Verlies van Nederlanderschap bij vrijwillige verkrijging Canadese nationaliteit en de uitzondering voor gehuwden met een persoon met die nationaliteit
  • Erkenning van een in Jordanië gesloten huwelijk als bigaam of geldig naar Nederlands recht
  • Onderzoek door Bureau Documenten naar Iraakse brondocumenten waaruit bleek dat appellant eerder huwelijk niet had gesloten
  • Toepassing van de tienjaarstermijn: verlies van Nederlanderschap na tien jaar onafgebroken verblijf buiten het Koninkrijk zonder verstrekking van reisdocument
  • Unierechtelijke evenredigheidstoets bij verlies van Unieburgerschap

Samenvatting

Een man van Iraakse afkomst die in 1997 naar Nederland kwam en in 2002 het Nederlanderschap verkreeg, raakte verwikkeld in een jarenlange juridische strijd met de minister van Buitenlandse Zaken over zijn recht op een Nederlands paspoort. De zaak draaide om de vraag of hij door het vrijwillig aannemen van de Canadese nationaliteit in 2016 het Nederlanderschap had verloren, en zo ja, of hij het later alsnog had verloren op een andere grondslag.

De kern van het conflict was een huwelijk. In de Basisregistratie Personen stond geregistreerd dat de man in 1995 in Irak was getrouwd met een vrouw genaamd persoon A. In 2007 trouwde hij echter in Jordanië opnieuw, met persoon B, die in 2011 de Canadese nationaliteit verwierf. Toen hij in 2016 zelf ook de Canadese nationaliteit aannam, stelde de minister dat hij daarmee het Nederlanderschap verloor. De uitzondering die geldt voor mensen die getrouwd zijn met iemand met de nationaliteit die zij aannemen, ging volgens de minister niet op, omdat zijn huwelijk met persoon B als bigaam werd beschouwd: hij zou immers nog getrouwd zijn met persoon A. Een bigaam huwelijk wordt in Nederland niet erkend.

De man ontkende echter ooit getrouwd te zijn geweest met persoon A en verzamelde in de loop van de procedure steeds meer Iraakse documenten om dat te bewijzen. Aanvankelijk nam de rechtbank Den Haag de minister zijn standpunt over en verklaarde het beroep ongegrond. De man ging in hoger beroep bij de Raad van State.

Tijdens de zitting bij de Raad van State in september 2024 vroeg de man om aanhouding van de zaak, zodat zijn originele Iraakse documenten konden worden onderzocht door Bureau Documenten, de overheidsinstantie die de echtheid van buitenlandse documenten beoordeelt. De minister stemde daarmee in en beloofde op basis van de uitkomst een nieuw besluit te nemen.

Dat nieuwe besluit volgde in juli 2025. Bureau Documenten beoordeelde de overgelegde Iraakse brondocumenten als echt, waaruit bleek dat de man volgens de Iraakse autoriteiten ongehuwd was op het moment dat hij in 2007 trouwde met persoon B. Daarmee erkende de minister dat het huwelijk met persoon B wél geldig was en dat de man bij het aannemen van de Canadese nationaliteit dus getrouwd was met een Canadese vrouw. Hij viel daardoor onder de uitzondering en had het Nederlanderschap in 2016 níet verloren.

Maar de minister bedacht een nieuwe reden om het paspoort te weigeren. Op grond van een andere bepaling in de Rijkswet op het Nederlanderschap verliest iemand het Nederlanderschap als hij tien jaar onafgebroken buiten het Koninkrijk woont én geen Nederlands reisdocument of verklaring van Nederlanderschap ontvangt in die periode. De man was op 11 oktober 2011 uitgeschreven uit Amsterdam en emigreerde naar Canada. Precies tien jaar later, op 11 oktober 2021, zou hij daardoor het Nederlanderschap van rechtswege hebben verloren. Zijn paspoortaanvraag uit 2019 kon deze termijn niet stuiten, omdat de wet vereist dat er daadwerkelijk een document wordt verstrekt, niet slechts een aanvraag wordt ingediend.

De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep slaagt, maar uitsluitend omdat de minister inmiddels een vervangend besluit heeft genomen op een andere grondslag. De inhoudelijke beoordeling verschuift daarmee naar het beroep tegen dit nieuwe besluit van juli 2025. De uitkomst van die inhoudelijke beoordeling — of de man het Nederlanderschap inderdaad op 11 oktober 2021 heeft verloren en of dat verenigbaar is met het Europees recht — wordt in deze uitspraak nog niet definitief beslecht, maar de zaak is door de erkenning van het huwelijk en de toepassing van de tienjaarstermijn in een geheel nieuwe fase beland.

Betrokken advocaten

mr. J.P.W. Temminck Tuinstra

appellant

Aves Advocaten, AMSTERDAM

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

4 februari 2026

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Zaaknummer

202203365/1/A3

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:RVS:2026:642

Bekijk op rechtspraak.nl