Bijstand ingetrokken wegens niet-gemelde buitenlandse betalingen — CRVB:2016:2757
intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting / niet-gemelde financiële transacties
Eiser / verzoeker
Appellante (bijstandsgerechtigde vrouw uit Amsterdam)
Verweerder / gedaagde
College van burgemeester en wethouders van Amsterdam
De Centrale Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en de intrekking en terugvordering van bijstand over juli, augustus en oktober 2010 bleven in stand.
- Vier geldtransacties van in totaal ruim €14.652,- uit het buitenland worden aangemerkt als op geld waardeerbare werkzaamheden, ook als voor twee transacties geen vergoeding is ontvangen.
- Door de transacties niet te melden heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand over de betreffende maanden niet kon worden vastgesteld.
- De bewijslast dat er bij correcte melding toch recht op bijstand bestond, rust op appellante; zij slaagde er niet in dit met objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen.
- Een getuigenverklaring zonder objectieve onderbouwing is onvoldoende bewijs; de bewijsnood die appellante door haar eigen zwijgen heeft veroorzaakt, komt voor haar eigen rekening en risico.
Samenvatting
Een vrouw uit Amsterdam die jarenlang bijstand ontving als alleenstaande ouder, verloor een deel van haar uitkering nadat was gebleken dat zij in 2010 vier grote geldbedragen uit het buitenland had ontvangen. In totaal ging het om ruim veertienduizend euro, overgemaakt vanuit Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. De gemeente Amsterdam trok haar bijstand over de betreffende maanden in en vorderde ruim drieduizend euro terug.
De vrouw verklaarde tegenover een sociaal rechercheur dat zij de geldtransacties had verricht als gunst voor anderen. Ze haalde geld op bij een grenswisselkantoor of ontving het op haar rekening voor mensen die zij kende of juist niet kende. Voor twee transacties zou zij vijftig euro per keer hebben ontvangen; voor de andere twee zou zij niets hebben gekregen. Ze weigerde echter namen te noemen uit angst voor problemen.
De gemeente oordeelde dat appellante met deze activiteiten inkomen had verworven of had kunnen verwerven, en dat zij dit had moeten melden. Omdat zij dat niet deed en ook geen administratie had bijgehouden, was het recht op bijstand over die maanden niet vast te stellen. De bijstand over juli, augustus en oktober 2010 werd ingetrokken.
De rechtbank Amsterdam bevestigde dit besluit, waarna de vrouw in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep. Zij betoogde dat het om vriendendiensten ging waarvoor zij nauwelijks of niets had ontvangen.
De Centrale Raad verwierp dit verweer. Gelet op het aantal transacties in korte tijd en de grote bedragen was er volgens de rechter duidelijk sprake van op geld waardeerbare werkzaamheden. Zelfs als de vrouw voor twee transacties niets had ontvangen, had zij daarvoor wel een vergoeding kunnen bedingen. Het had haar redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze activiteiten haar bijstandsrecht konden beïnvloeden.
De vrouw slaagde er ook niet in om aan te tonen hoeveel zij werkelijk had ontvangen. Een verklaring van een kennis die twee transacties zou bevestigen, werd niet als voldoende bewijskracht beschouwd, omdat die verklaring niet werd ondersteund door objectieve en controleerbare gegevens. Dat de betreffende persoon inmiddels niet meer te traceren was, kwam voor risico van de vrouw zelf: door de transacties niet te melden had zij zichzelf in deze bewijspositie gebracht.
De Centrale Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep slaagde niet en de terugvordering van ruim drieduizend euro bleef in stand.
Betrokken advocaten
mr. S. Mathoerapersad
appellant
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:CRVB:2025:484, Centrale Raad van Beroep, 11-03-2025, 23/373 PW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2024:700, Centrale Raad van Beroep, 09-04-2024, 20/3102 PW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2023:1904, Centrale Raad van Beroep, 26-09-2023, 20/4239 PW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:GHAMS:2023:941, Gerechtshof Amsterdam, 25-04-2023, 200.316.421/01 en 200.317.210/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
Gegevens
Datum uitspraak
19 juli 2016
Instantie
Centrale Raad van BeroepRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
15-6008 WWB
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2016:2757