Duitser moet WIA-uitkering van 12.900 euro terugbetalen — CRVB:2018:3889
WIA-uitkering / terugvordering onverschuldigd betaalde uitkering / arbeidsongeschiktheidsbeoordeling grensoverschrijdend geval
Eiser / verzoeker
Appellant, wonend in Duitsland
Verweerder / gedaagde
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
Het hoger beroep werd verworpen en de terugvordering van ruim €12.900 aan onverschuldigd betaalde WIA-uitkering bleef in stand.
- De verzekeringsarts concludeerde op basis van nieuwe medische informatie uit Duitsland dat de eerder vastgestelde belastbaarheid per mei 2014 niet onjuist was, zodat er geen reden was om op de beëindiging van de WIA-uitkering terug te komen.
- Het feit dat appellant in Duitsland als volledig arbeidsongeschikt wordt erkend, is niet relevant voor de beoordeling van zijn aanspraak op een Nederlandse WIA-uitkering, die naar eigen nationale criteria wordt beoordeeld.
- Een fout van het UWV waardoor de uitkering ten onrechte doorliep, is een reden voor de terugvordering maar vormt op zichzelf geen dringende reden om van terugvordering af te zien.
- Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat het UWV geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging had gedaan dat de doorbetaalde bedragen mochten worden behouden.
- De vraag of appellant voldoende draagkracht heeft om terug te betalen, kan pas aan de orde komen bij de invordering en niet bij de beslissing tot terugvordering zelf.
Samenvatting
Een man die in Duitsland woont en jarenlang als verwarmingsmonteur in Nederland had gewerkt, verloor zijn WIA-uitkering nadat het UWV concludeerde dat hij weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt was. Daarna werd hij ook nog geconfronteerd met een terugvordering van ruim twaalfduizend euro, omdat de uitkering na de beëindiging per vergissing was blijven doorlopen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit allemaal terecht was.
De man had zich in 2010 ziekgemeld na eerder ernstig letsel bij een auto-ongeluk en een hartinfarct. Hij ontving een WGA-uitkering van het UWV, maar ook een uitkering van de Duitse pensioenverzekeraar wegens volledige arbeidsongeschiktheid. In 2013 beoordeelde een verzekeringsarts hem opnieuw en concludeerde dat hij weer 'duurzaam benutbare mogelijkheden' had. Op basis van een arbeidskundige berekening werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op iets meer dan 18 procent — ruim onder de drempel van 35 procent die nodig is voor een WIA-uitkering. Zijn uitkering werd daarom per mei 2014 stopgezet.
Toen het UWV in 2015 nieuwe medische informatie ontving van de Deutsche Rentenversicherung Westfalen, liet het opnieuw beoordelen of er reden was om op de eerdere beslissing terug te komen. Dat bleek volgens de verzekeringsarts niet het geval: de nieuwe informatie gaf geen aanleiding om de eerder vastgestelde belastbaarheid te herzien. Tegelijkertijd ontdekte het UWV dat de uitkering ondanks de beëindiging per vergissing gewoon was blijven doorlopen. Dat leidde tot een terugvordering van ruim 12.900 euro over de periode mei 2014 tot augustus 2015.
De man maakte bezwaar en later beroep, maar zonder succes. Hij voerde aan dat zijn situatie onjuist was beoordeeld, mede omdat de Nederlandse en Duitse arbeidsongeschiktheidssystemen van elkaar verschillen. In Duitsland werd hij immers wél als volledig arbeidsongeschikt erkend. De Raad volgde dit argument niet: de aanspraak op een Nederlandse WIA-uitkering moet worden beoordeeld naar de voorwaarden van de Nederlandse wet, en de criteria in Duitsland spelen daarin geen rol.
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde niet. De man stelde dat hij erop mocht vertrouwen de uitkering te mogen behouden, maar de rechter oordeelde dat daarvoor een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige toezegging van het UWV nodig is. Die was er niet. Het feit dat de doorbetaling het gevolg was van een fout van het UWV zelf, en niet van de man, maakte dit niet anders: die fout is de oorzaak van de terugvordering, niet een reden om ervan af te zien.
Ten slotte voerde de man aan dat hij geen draagkracht heeft om terug te betalen. De Raad erkende dit punt, maar oordeelde dat dit aspect pas aan de orde komt bij de daadwerkelijke invordering — niet bij de vraag óf er teruggevorderd mag worden. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam, die het beroep ongegrond had verklaard, werd door de Centrale Raad van Beroep volledig bevestigd.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBOVE:2025:7318, Rechtbank Overijssel, 15-12-2025, 08-019855-25 (P)
Rechtbank Overijssel · Strafrecht
ECLI:NL:RBOVE:2025:6814, Rechtbank Overijssel, 01-12-2025, 08.051635-25 (P)
Rechtbank Overijssel · Strafrecht
ECLI:NL:RBOVE:2025:4623, Rechtbank Overijssel, 10-07-2025, 08/191654-23, 08/079328-24, 05/042361-24, 08/245861-24, 08/082984-25 (ttz. gev.) en 08/031133-22 (tul) (P)
Rechtbank Overijssel · Strafrecht
ECLI:NL:RBOVE:2025:2631, Rechtbank Overijssel, 29-04-2025, 08-384273-24, 08-019610-25, 08-302008-24 (gev.) en 08-210487-24 (tul)
Rechtbank Overijssel · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
5 december 2018
Instantie
Centrale Raad van BeroepRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
16/7476 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2018:3889