WIA-uitkering geweigerd vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid — CRVB:2019:2055
WIA-uitkering / arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
Eiser / verzoeker
Appellante (voormalig schoonmaakster)
Verweerder / gedaagde
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand.
- Het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het UWV werd zorgvuldig geacht, ook al had appellante gewezen op een wetenschappelijk artikel over de problematiek van moeilijk objectiveerbare klachten.
- De in hoger beroep overgelegde medische informatie van diverse specialisten wierp geen nieuw licht op de eerder vastgestelde beperkingen, omdat deze klachten al bekend waren bij de primaire beoordeling.
- De CTS-operatie in 2018 gaf geen aanknopingspunten om te oordelen dat de beoordeling per 18 januari 2016 onzorgvuldig was geweest.
- Er was geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige, omdat het UWV de medische gronden voldoende had weersproken en er geen twijfel was over de juistheid van de beoordeling.
- De geselecteerde functies werden in medisch opzicht geschikt geacht voor appellante, zodat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg.
Samenvatting
Een vrouw die jarenlang als schoonmaakster werkte, vroeg in 2015 een WIA-uitkering aan nadat zij zich in 2014 had ziekgemeld met rugklachten en uitstraling naar haar linkerbeen. Het UWV weigerde de uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35 procent zou bedragen. Na bezwaar, beroep bij de rechtbank én hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, bleef die weigering overeind.
De vrouw had een indrukwekkende lijst van klachten: rugpijn met uitstraling naar het been, fibromyalgie, slaapproblemen, knieklachten, migraineklachten en handproblemen. Ze was ook geopereerd aan het carpaal tunnel syndroom in 2018. Ze stelde dat het UWV bij de beoordeling onvoldoende rekening had gehouden met al deze klachten en dat de verzekeringsartsen hun werk niet zorgvuldig hadden gedaan. Ter onderbouwing verwees ze onder meer naar een wetenschappelijk artikel over de moeilijkheid van het beoordelen van slecht objectiveerbare klachten, en naar informatie van meerdere specialisten waaronder een reumatoloog, neuroloog en pijnspecialist.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen wél zorgvuldig was verlopen. Het feit dat verzekeringsartsen in het algemeen moeite hebben met het beoordelen van moeilijk meetbare klachten, betekent niet dat in dit specifieke geval iets mis is gegaan. Ook de operatie aan het carpaal tunnel syndroom in 2018 gaf geen reden om te twijfelen aan de beoordeling die gold per januari 2016.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep had in een rapport uit 2018 uitgebreid gereageerd op alle medische informatie die de vrouw in hoger beroep had ingebracht. Daarin werd overtuigend uitgelegd waarom die informatie geen nieuw licht wierp op de eerder vastgestelde beperkingen. De klachten over hoofd, rug, schouder, fibromyalgie én de handklachten waren al bekend bij de eerdere beoordeling en waren daarin meegewogen. De Raad zag dan ook geen reden om een onafhankelijke deskundige in te schakelen, zoals de vrouw had gevraagd.
Tot slot werd bevestigd dat de geselecteerde functies die het UWV aan haar had voorgelegd, medisch gezien passend waren voor haar beperkingen. Het hoger beroep slaagde niet en de uitspraak van de rechtbank Den Haag werd in stand gelaten. De vrouw ontvangt geen WIA-uitkering.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2026:76, Rechtbank Midden-Nederland, 15-01-2026, UTR 25/4282
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2026:10, Centrale Raad van Beroep, 07-01-2026, 22/1223 WAJONG
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2025:1880, Centrale Raad van Beroep, 18-12-2025, 21/4413 WIA
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:6747, Rechtbank Midden-Nederland, 17-12-2025, UTR 25/2271
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
26 juni 2019
Instantie
Centrale Raad van BeroepRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
17/5442 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2019:2055