Vrouw met Crohn's blijft zonder Wajong-uitkering zonder nieuwe feiten — CRVB:2020:2556
Wajong-uitkering / arbeidsongeschiktheid jonggehandicapten / herhaalde aanvraag nieuwe feiten
Eiser / verzoeker
Appellante, een vrouw geboren in 1987 met de ziekte van Crohn
Verweerder / gedaagde
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de vrouw geen recht heeft op een Wajong-uitkering omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die herziening van de eerdere afwijzingsbesluiten rechtvaardigen.
- Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die herziening van eerdere afwijzingsbesluiten rechtvaardigen
- Verslechtering van de gezondheid vanaf 2015 valt buiten de relevante Wajong-beoordelingsperiode rond het achttiende levensjaar
- In hoger beroep overgelegde stukken zijn te laat ingediend en kunnen niet meer worden meegewogen
- Amber-regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid is niet van toepassing
- Verzoek om inschakeling onafhankelijke deskundige afgewezen
Samenvatting
Een vrouw geboren in 1987, die lijdt aan de ziekte van Crohn, probeerde al jaren vergeefs een Wajong-uitkering te krijgen. De ziekte van Crohn, een chronische darmaandoening, zorgde bij haar al vanaf 2004 voor ernstige klachten en beperkingen. Toch werd haar eerste aanvraag in 2008 afgewezen door het UWV, dat na medisch en arbeidskundig onderzoek oordeelde dat zij ondanks haar beperkingen kon werken. De vrouw maakte destijds geen bezwaar tegen die beslissing.
In 2013 probeerde zij het opnieuw met een nieuwe aanvraag, maar ook die werd afgewezen omdat er volgens het UWV geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden. Opnieuw maakte zij geen bezwaar. In 2016 deed zij een derde poging, waarbij zij een brief van haar behandelend maag-darm-leverarts meestuurde. Die brief beschreef echter een verslechtering van haar situatie vanaf mei 2015, terwijl de Wajong-regeling vereist dat de arbeidsongeschiktheid aantoonbaar aanwezig was rond het achttiende levensjaar, dus vóór 2010. Het UWV wees ook deze aanvraag af.
De vrouw vocht de afwijzing aan bij de rechtbank Noord-Nederland, die haar beroep in december 2017 ongegrond verklaarde. Daarna stapte zij naar de Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter in sociale zekerheidszaken. Zij stelde dat de verslechtering van haar gezondheid door de jaren heen bewees dat zij al op achttienjarige leeftijd niet goed had kunnen functioneren in opleiding of werk. Ter ondersteuning bracht zij aanvullende brieven van haar MDL-arts, een arbeidsmedisch rapport en een plan van aanpak van de gemeente in. Ook vroeg zij de rechter een onafhankelijke deskundige in te schakelen.
De Centrale Raad wees al haar argumenten af. De sleutel in dit soort zaken is of iemand zogenoemde 'nieuwe feiten of veranderde omstandigheden' aandraagt die eerder niet konden worden aangevoerd. De rechter oordeelde dat dit hier niet het geval was. De in hoger beroep overgelegde stukken waren bovendien te laat ingediend: nieuwe bewijsstukken mogen uiterlijk in de bezwaarfase worden ingebracht, niet pas in hoger beroep. De verslechtering van de gezondheid vanaf 2015 viel ook buiten de relevante periode voor de zogenoemde Amber-regeling, die uitkeringen toekent bij toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na het achttiende levensjaar.
Ook een beroep op de zogenoemde duuraanspraken-jurisprudentie, waarbij een herziening voor de toekomst mogelijk is, haalde het niet. En het verzoek om een onafhankelijke deskundige in te schakelen werd eveneens afgewezen, omdat de beschikbare medische gegevens volgens de rechter geen twijfel opriepen over het standpunt van de verzekeringsarts. De Centrale Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank volledig. De vrouw krijgt geen Wajong-uitkering.
Betrokken advocaten
mr. J. Brouwer
eiser
mr. S. Praagman
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:13978, Rechtbank Den Haag, 17-07-2025, NL25.19203
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBNHO:2025:7461, Rechtbank Noord-Holland, 18-06-2025, C/15/364831 / JU RK 25-612
Rechtbank Noord-Holland · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBZWB:2025:4225, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26-05-2025, C/02/435245 / JE RK 25-863
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBZWB:2025:2367, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-04-2025, C/02/425991 / FA RK 24-3955
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
Gegevens
Datum uitspraak
21 oktober 2020
Instantie
Centrale Raad van BeroepRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
18/229 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2020:2556