Raad verwerpt schadeclaim man na nabetaling WAO-uitkering — CRVB:2026:354
schadevergoeding na nabetaling WAO-uitkering / onrechtmatig besluit bestuursrecht
Eiser / verzoeker
appellant (WAO-gerechtigde)
Verweerder / gedaagde
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding; appellant ontvangt geen vergoeding voor belastingschade, vermogensschade, immateriële schade of wettelijke rente.
- Een besluit dat in bezwaar, beroep en hoger beroep standhoudt, is rechtmatig en kan geen grondslag vormen voor schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb.
- Een nabetaling van achterstallige uitkering door het UWV betekent niet dat daarmee de onrechtmatigheid van een besluit is erkend.
- Het beroep op eerdere CRvB-jurisprudentie faalt, omdat in die zaak het UWV expliciet onrechtmatigheid had erkend — wat hier niet het geval is.
- De grondslag voor de schadeclaim (onrechtmatigheid van het besluit van 28 juni 2017) ontbreekt, zodat de inhoudelijke schadeposten niet worden beoordeeld.
Samenvatting
Een man die al decennia een WAO-uitkering ontvangt, probeerde via de rechter een schadevergoeding te krijgen van het UWV. Hij vond dat het UWV onrechtmatig had gehandeld door hem pas in 2017 een hogere uitkering te betalen, terwijl hij meende al vanaf 2008 recht te hebben op die verhoging. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat zijn claim geen stand houdt.
De zaak heeft een lange voorgeschiedenis. De man ontvangt sinds 1999 een WAO-uitkering, aanvankelijk op basis van een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35 procent. In 2006 stelde het UWV vast dat zijn arbeidsongeschiktheid was toegenomen, maar omdat die toename niet binnen vijf jaar na toekenning had plaatsgevonden, moest hij eerst een wachttijd van 104 weken uitzitten. Het UWV adviseerde hem om na afloop van die periode opnieuw contact op te nemen. De man deed dat echter pas in februari 2017, bijna tien jaar later.
Naar aanleiding van zijn herbeoordeling erkende het UWV in 2017 dat hij al vanaf mei 2008 — het einde van de 104-wekentermijn — recht had op een uitkering van 80 tot 100 procent arbeidsongeschiktheid. Het UWV betaalde hem daarop ruim 74.000 euro aan achterstallige uitkering uit, inclusief ruim 560 euro wettelijke rente.
De man was daarmee niet tevreden. Hij diende in 2022 een afzonderlijk verzoek om schadevergoeding in, waarbij hij stelde dat het UWV met de nabetaling impliciet had erkend dat het eerder een onrechtmatig besluit had genomen. Hij claimde aanvullende vergoeding voor belastingschade, vermogensschade, immateriële schade en extra wettelijke rente.
Zowel het UWV als de rechtbank Noord-Nederland wezen dat verzoek af. De rechtbank stelde dat het besluit van het UWV uit 2017 — waarbij de verhoogde uitkering met terugwerkende kracht werd toegekend — in bezwaar, beroep en hoger beroep overeind is gebleven. Een besluit dat juridisch standhoudt, is per definitie rechtmatig, en kan dus geen grondslag vormen voor schadevergoeding. Dat er een nabetaling heeft plaatsgevonden, betekent niet dat het UWV een fout heeft gemaakt.
In hoger beroep herhaalde de man zijn standpunt en beriep hij zich op een eerdere uitspraak van de Centrale Raad waarbij wél schadevergoeding was toegekend. De Raad wees dat beroep echter uitdrukkelijk van de hand: in die zaak had het UWV zelf erkend dat sprake was van een onrechtmatig besluit. Dat is hier niet het geval. Het UWV heeft consequent volgehouden rechtmatig te hebben gehandeld, en de rechter heeft dat standpunt steeds bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep slaagt niet, de schadeclaim wordt afgewezen en de man ontvangt ook geen vergoeding voor zijn proceskosten of het betaalde griffierecht.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBGEL:2025:10770, Rechtbank Gelderland, 11-12-2025, ARN 24/2931
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:5759, Rechtbank Midden-Nederland, 05-11-2025, UTR 24/5433
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:5236, Raad van State, 31-10-2025, 202505226/2/R3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:CRVB:2025:1594, Centrale Raad van Beroep, 28-10-2025, 23/1548 PW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
26 maart 2026
Instantie
Centrale Raad van BeroepRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
25/159 BESLU
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:354