Juristi.nl

Hoger beroep schadeclaim UWV sneuvelt op vaststellingsovereenkomst — CRVB:2026:376

schadevergoeding / vaststellingsovereenkomst / ZW-verrekening bijstandsuitkering

Eiser / verzoeker

Appellant (naam niet vermeld)

VS

Verweerder / gedaagde

Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)

Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens de vaststellingsovereenkomst met finale kwijting voor de periode vóór 1 mei 2020.

  • De vaststellingsovereenkomst van mei 2020 bevat een finale kwijtingsclausule voor de periode vóór 1 mei 2020.
  • De betwiste ZW-verrekening vond plaats in 2019 en valt daarmee binnen de reikwijdte van de kwijting.
  • In een parallelle zaak oordeelde de Raad al dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen.
  • Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat inhoudelijke beoordeling door de kwijtingsafspraak wordt geblokkeerd.
  • Het eerdere besluit van november 2019 over de verrekening was al onaantastbaar geworden doordat appellant destijds geen rechtsmiddelen had aangewend.

Samenvatting

Een man uit het noorden van het land had van het UWV schadevergoeding gevraagd omdat hij meende dat het uitkeringsinstituut ten onrechte zijn ZW-uitkering had verrekend met een eerder ontvangen bijstandsuitkering. Die verrekening speelde in 2019, toen hij ook met behoud van uitkering werkzaamheden had verricht via een werkervaringsplek. De man vond dat het UWV daarmee onterecht had gehandeld en stapte naar de rechter.

De rechtbank Noord-Nederland wees zijn schadeverzoek in december 2022 al af. Volgens de rechtbank was er geen sprake van een onrechtmatig besluit: het UWV had in 2019 bij besluit de verrekening vastgesteld, appellant had daar destijds geen rechtsmiddelen tegen aangewend, en dat besluit was daardoor onaantastbaar geworden. De verrekening kon in een latere schadeprocedure dus niet alsnog worden aangevochten.

De man ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Maar het UWV voerde een doorslaggevend verweer: in mei 2020 hadden beide partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin was afgesproken dat zij over de periode vóór 1 mei 2020 over en weer finale kwijting verlenen. De man had zich er bovendien toe verplicht geen nieuwe aanvragen, bezwaren of (hoger) beroepszaken meer in te dienen die betrekking hebben op die periode.

De Centrale Raad stelde vast dat in een parallelle zaak al was geoordeeld dat deze vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat er geen reden was de man daaraan niet gebonden te achten. De verrekening waarover hij klaagde vond plaats in 2019 — ruim vóór de grens van 1 mei 2020 — en valt daarmee volledig binnen het bereik van de kwijtingsafspraak. Dat staat een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep in de weg.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk. De man krijgt geen schadevergoeding en de proceskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Betrokken advocaten

mr. D. de Jong

verweerder

Clairfort Advocaten, ZEIST

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

2 april 2026

Zaaknummer

23/349 ZW

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:CRVB:2026:376

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Raad van Beroep: man blijft gebonden aan vaststellingsovereenkomst met UWV
Centrale Raad van Beroep·2 april 2026
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep man tegen UWV niet-ontvankelijk door vaststellingsovereenkomst
Centrale Raad van Beroep·2 april 2026
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Rechter bevestigt weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt
Centrale Raad van Beroep·2 april 2026
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Raad wijst verletkosten WIA-spreekuren zelfstandige af
Centrale Raad van Beroep·2 april 2026
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep WW-geschil niet-ontvankelijk door vaststellingsovereenkomst met UWV
Centrale Raad van Beroep·2 april 2026
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht