Hof spreekt verdachte vrij van drie brandstichtingen in Gelderland — GHARL:2026:2086
brandstichting / bewijswaardering strafrecht
Eiser / verzoeker
Openbaar Ministerie (advocaat-generaal)
Verweerder / gedaagde
verdachte
Verdachte volledig vrijgesproken van alle drie de tenlastegelegde brandstichtingen.
- Hof spreekt verdachte vrij wegens gebrek aan overtuigend bewijs; camerabeelden bieden onvoldoende basis om de dader bij alle drie brandstichtingen als dezelfde persoon te identificeren.
- Getuigenverklaringen over herkenning van verdachte op beelden zijn onbetrouwbaar door onderlinge beïnvloeding en gezamenlijk bekijken van beeldmateriaal met de politie.
- NFI-verfonderzoek levert slechts beperkte bewijskracht op (ordegrootte 10-100), en de looppatroonanalyse van deskundige Otten wordt door hemzelf als 'heel zwak bewijs' gekwalificeerd (likelihood ratio 240).
- Overeenkomsten in kledingstukken en het tankgedrag van verdachte zijn als aanwijzingen onvoldoende zwaarwegend voor een bewezenverklaring.
- Hof vernietigt vonnis rechtbank Gelderland en doet opnieuw recht met volledige vrijspraak.
Samenvatting
In de zomer van 2021 werden in een plaats in Gelderland drie branden gesticht: op 3 juni bij een supermarkt, op 9 juni bij een cafetaria en op 11 juni werd geprobeerd een pizzeria in brand te steken. Bij de eerste twee branden was levensgevaar te duchten. Een man die in de buurt woonde werd aangehouden en door de rechtbank Gelderland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 262 dagen en een voorwaardelijke terbeschikkingstelling. De man ging in hoger beroep.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de zaak opnieuw grondig beoordeeld en komt tot een heel andere conclusie dan de rechtbank. Centraal staat de vraag of de verdachte daadwerkelijk de persoon is die op de camerabeelden van de brandstichtingen te zien is. Het hof twijfelt daar ernstig aan.
De camerabeelden van de drie incidenten verschillen sterk in kwaliteit en kleur. De beschrijvingen van de dader op die beelden lopen uiteen: bij de eerste brand gaat het om een slankgebouwde man, bij de tweede om een niet nader beschreven persoon, en bij de derde om een man van normale lengte en slank postuur. Ook de manier waarop de branden werden aangestoken verschilde telkens. Het hof kan daardoor niet vaststellen dat het überhaupt om dezelfde dader gaat bij alle drie de incidenten.
De kleding die bij de verdachte werd aangetroffen — een jas, tas en hoodie — vertoonde weliswaar overeenkomsten met wat de dader op de beelden droeg, maar het hof vindt die overeenkomsten te weinig specifiek om als bewijs te dienen. Ook de aangetroffen witte verf bij zowel de verdachte als de brandlocaties biedt onvoldoende houvast: een NFI-rapport stelt dat de overeenkomst slechts 'waarschijnlijker' maakt dat de verfmonsters overeenkomen, met een statistisch gewicht van 10 tot 100 — ver verwijderd van de categorieën 'veel', 'zeer veel' of 'extreem veel waarschijnlijker'.
Een belangrijk deel van de bewijsconstructie van de rechtbank steunde op verklaringen van drie getuigen die de verdachte zeiden te herkennen op de camerabeelden. In hoger beroep werden zij opnieuw gehoord door een raadsheer-commissaris. Daarbij bleek dat de getuigen de beelden meerdere malen samen hadden bekeken, besproken en vergeleken met andere beelden waarop de verdachte als klant in de pizzeria te zien was. Ze hadden samen actief gezocht naar herkenningspunten zoals opvallende wenkbrauwen, linkshandigheid en een apart loopje. Eén getuige verklaarde zelfs dat zij samen met de politie tot de conclusie was gekomen dat het niemand anders kon zijn geweest. Het hof ziet hierin duidelijke aanwijzingen voor onderlinge beïnvloeding en acht de verklaringen daardoor onvoldoende betrouwbaar.
Daarnaast had een deskundige, prof. dr. Otten, een analyse gemaakt van de looppatronen van de persoon op de beelden en van de verdachte. Die analyse leverde een zogeheten likelihood ratio van 240 op — wat de deskundige zelf omschreef als 'heel zwak bewijs'. Ook het feit dat de verdachte op twee van de drie relevante data kleine hoeveelheden motorbenzine had afgerekend, terwijl bij twee brandstichtingen motorbenzine als brandbron werd vastgesteld, acht het hof onvoldoende zwaarwegend.
Al het bewijs samengenomen overtuigt het hof er niet van dat de verdachte de brandstichter is. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en spreekt de verdachte vrij van alle drie de tenlastegelegde feiten.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBGEL:2025:10583, Rechtbank Gelderland, 05-12-2025, 124238
Rechtbank Gelderland · Strafrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:3621, Rechtbank Midden-Nederland, 22-07-2025, 16/049291-20 (P)
Rechtbank Midden-Nederland · Strafrecht
ECLI:NL:RBGEL:2025:5407, Rechtbank Gelderland, 09-07-2025, ARN 24/7159
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RBGEL:2025:5412, Rechtbank Gelderland, 08-07-2025, 05.147424.24
Rechtbank Gelderland · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
7 april 2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
21-003375-22
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:2086