ECLI:NL:GHSHE:2024:811, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-03-2024, 200.327.797_01 — GHSHE:2024:811
Samenvatting
Onrechtmatige publicatie op social media (Facebook) Beoordelingsmaatstaf: Art. 6:196c BW ziet op de aansprakelijkheid van een hostingprovider. Deze bepaling dient ter implementatie van artikel 14 van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 (‘Richtlijn inzake elektronische handel’, PbEG L 178). Artikel 6:196c lid 4 BW bepaalt dat een serviceprovider niet aansprakelijk is voor de opgeslagen informatie, indien hij niet weet van de activiteit of informatie met een onrechtmatig karakter of daarvan niet redelijkerwijs behoort te weten, dan wel, zodra hij daarvan weet of redelijkerwijs behoort te weten prompt de informatie verwijdert of de toegang daartoe onmogelijk maakt. Vereist is dat moet worden geoordeeld dat de gepubliceerde informatie onmiskenbaar onrechtmatig is. Pas indien op deze grond tot aansprakelijkheid van de serviceprovider voor de opgeslagen informatie geconcludeerd kan worden, is een op die onrechtmatige daad gebaseerde vordering jegens de serviceprovider tot verwijderen of ontoegankelijk maken van de informatie toewijsbaar. (Zie inmiddels ook de Digitale Dienstenverordening EU/2022/2065). Bij de beoordeling of de gepubliceerde informatie onmiskenbaar onrechtmatig is dient in aanmerking te worden genomen dat het hier gaat om een botsing tussen enerzijds het door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting van de gebruiker van Facebook en anderzijds het door artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de klager, waaronder het door haar ingeroepen recht op bescherming van de goede naam/reputatie is begrepen. In zo’n geval moet het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Deze toetsing moet in één keer gebeuren, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 8 lid 2 EVRM. In deze (kort geding) zaak oordeelt het hof dat de publicatie niet onmiskenbaar onrechtmatig is.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:GHAMS:2025:1438, Gerechtshof Amsterdam, 03-06-2025, 200.335.815/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:GHAMS:2025:954, Gerechtshof Amsterdam, 08-04-2025, 200.331.962/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RBMNE:2024:5787, Rechtbank Midden-Nederland, 09-10-2024, 567614 / HA ZA 23-770
Rechtbank Midden-Nederland · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBAMS:2024:5950, Rechtbank Amsterdam, 11-09-2024, C/13/745559 / HA ZA 24-89
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Internationaal Privaatrecht
Gegevens
Datum uitspraak
12 maart 2024
Instantie
Gerechtshof 's-HertogenboschRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
200.327.797_01
Procedure
Hoger beroep kort geding
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:811