Juristi.nl
ECLI:NL:HR:2026:563Strafrecht

Hoge Raad verwerpt cassatie na te laat hoger beroep — HR:2026:563

strafrecht / niet-ontvankelijkheid hoger beroep / overschrijding redelijke termijn in cassatie

Eiser / verzoeker

verdachte (geboren 2002)

VS

Verweerder / gedaagde

Openbaar Ministerie

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep; het vonnis in eerste aanleg is onherroepelijk geworden.

  • Hof verklaarde hoger beroep niet-ontvankelijk; Hoge Raad ziet geen grond om dit oordeel te vernietigen
  • Cassatieklachten worden verworpen via artikel 81 RO zonder nadere motivering
  • Redelijke termijn in cassatie is overschreden (meer dan twee jaar), maar dit leidt niet tot vernietiging omdat het vonnis al onherroepelijk is
  • Termijnoverschrijding heeft geen praktisch gevolg omdat er geen (verdere) straf meer is om te verminderen

Samenvatting

Een verdachte die in 2002 werd geboren probeerde via cassatie bij de Hoge Raad alsnog zijn zaak te winnen, maar strandde op een procedurefout die al eerder fataal was gebleken.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had in januari 2024 het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat het hoger beroep niet inhoudelijk werd behandeld, waarschijnlijk omdat het te laat was ingesteld. De verdachte tekende vervolgens cassatie aan bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad beoordeelde de klachten van de verdachte, maar oordeelde dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. Omdat het niet nodig was om vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling, hoefde de Hoge Raad zijn oordeel niet verder te motiveren — een zogeheten artikel 81-afdoening.

De Hoge Raad keek ook ambtshalve, dat wil zeggen op eigen initiatief, of er redenen waren om in te grijpen. Daarbij viel op dat de behandeling van de cassatieprocedure meer dan twee jaar had geduurd. Dat levert een overschrijding op van de redelijke termijn die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens stelt aan de behandeling van strafzaken.

Normaal gesproken kan zo'n termijnoverschrijding leiden tot strafvermindering of een andere compensatie. In dit geval pakte dat echter anders uit. Omdat het hoger beroep van de verdachte al terecht niet-ontvankelijk was verklaard, is het vonnis uit de eerste aanleg onherroepelijk geworden. Er is dus geen straf meer waarop de termijnoverschrijding invloed kan hebben. De Hoge Raad concludeerde dat de vertraging in de cassatieprocedure onder deze omstandigheden geen reden is om de uitspraak van het hof te vernietigen.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep, waarmee het vonnis van de rechtbank in eerste aanleg definitief en onherroepelijk vaststaat.

Betrokken advocaten

mr. M.I. L'Ghdas

verdachte

Keizerhof Advocaten, AMSTERDAM

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

7 april 2026

Instantie

Hoge Raad

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

24/00160

Procedure

Artikel 81 RO-zaken

ECLI

ECLI:NL:HR:2026:563

Bekijk op rechtspraak.nl