ECLI:NL:RBDHA:2019:4927, Rechtbank Den Haag, 07-05-2019, AWB 16/26611 — RBDHA:2019:4927
Samenvatting
Fictief beroep. Einduitspraak na stellen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening. Tussen partijen is in geschil of de beslistermijn voor verweerder ten tijde van het indienen van het onderhavige beroep was versterken. Daarbij is het de vraag vanaf welke moment Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek van eiser op grond van artikel 42, zesde lid, Vw. Aangezien eiser inmiddels in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, spitst het geschil zich voorts toe op de vraag of verweerder niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en daardoor dwangsommen heeft verbeurd over de periode vanaf het moment dat verweerder in gebreke is gebleven om een besluit te nemen tot het moment dat verweerder uiteindelijk het besluit heeft genomen. Verweerder heeft uiteindelijk zijn primaire standpunt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat aan eiser te kennen is gegeven dat hij werd opgenomen in de Nederlandse asielprocedure en het subsidiaire standpunt dat de beslistermijn aanvangt op de datum dat het Hof van Justitie de prejudiciële vragen van de rechtbank heeft beantwoord, niet langer gehandhaafd. Tussen partijen is daarom niet langer in geschil dat de beslistermijn in casu aanvangt twee weken na het verzoek om heroverweging op grond van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening, te weten op 28 april 2016. Gelet op de inwerkingtreding van WBV 2016/3, op 11 februari 2016, is de beslistermijn in alle asielzaken van vóór en ná die datum met negen maanden verlengd. Dat geldt ook voor deze zaak. De enkele omstandigheid dat verweerder op 14 december 2016 aan eiser per brief kenbaar heeft gemaakt dat zijn asielverzoek in Nederland in behandeling wordt genomen en uiterlijk op 14 juni 2017 een beslissing wordt genomen, hetgeen een beslistermijn van zes maanden impliceert, leidt niet tot een ander oordeel. Door voornoemde WBV is de algemene, eerste beslistermijn van zes maanden zoals weergegeven in de brief immers verlengd met 9 maanden. Het voorgaande betekent dat verweerder uiterlijk op 28 juli 2017 een besluit moest nemen op de asielaanvraag van eiser. Nu verweerder op 29 mei 2017 een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van de vreemdeling, is de beslistermijn niet overschreden en heeft hij tijdig op de aanvraag beslist. Het beroep is daarom prematuur ingediend, zodat het niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Verweerder heeft daarom evenmin dwangsommen verbeurd. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd en het standpunt van verweerder dat eiser ten onrechte na de ingebrekestelling niet twee weken heeft gewacht met het indienen van het beroep, behoeft daarom geen bespreking meer.
Betrokken advocaten
mr. C.C. Westermann-Smit
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:9697, Rechtbank Den Haag, 28-05-2025, 11623922 EJ VERZ 25-81489
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Arbeidsrecht
ECLI:NL:RBDHA:2024:23386, Rechtbank Den Haag, 03-09-2024, 24-1596
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Arbeidsrecht
ECLI:NL:RBMNE:2024:7356, Rechtbank Midden-Nederland, 05-06-2024, 11059425 \ UV EXPL 24-97
Rechtbank Midden-Nederland · Civiel Recht
ECLI:NL:RBDHA:2021:6546, Rechtbank Den Haag, 31-05-2021, NL20.4510 en NL20.12501
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
7 mei 2019
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
AWB 16/26611
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2019:4927