Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2024:4375Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2024:4375, Rechtbank Den Haag, 28-03-2024, NL23.29253 en NL24.9702 — RBDHA:2024:4375

Samenvatting

[Oekraïne, derdelanders, 6:19 Awb, terugkeerbesluit] MK-uitspraak over het eindigen van de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024. Eiser heeft zijn beroep tegen het eerdere (ingetrokken) besluit tot het eindigen op 4 september 2023 van de tijdelijke bescherming gehandhaafd. Ook richt het beroep zich tegen de informatiebrief van 24 januari 2024 en het nieuw genomen terugkeerbesluit. Eiser heeft geen belang meer bij het beroep tegen het (ingetrokken) besluit van 1 september 2023 over de beëindiging van de tijdelijke bescherming. De brief van 24 januari 2024 is van informatieve aard: het geldt niet als verlenging van de tijdelijke bescherming en bevat ook geen terugkeerbesluit. Voor zover in die brief staat dat de staatssecretaris het eerdere besluit intrekt en deze mededeling een besluit is, heeft eiser geen belang bij het beoordelen van die intrekking, zodat geen situatie, bedoeld in 6:19 van de Awb, is ontstaan. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. Het alsnog genomen terugkeerbesluit is wel een 6:19-besluit: het wijzigt de reikwijdte van het eerdere terugkeerbesluit, namelijk de datum waarop het rechtmatig verblijf van eiser eindigt en de datum vanaf wanneer een vertrekplicht ontstaat. Dat terugkeerbesluit heeft de staatssecretaris terecht genomen. Eiser behoort niet tot een andere categorie personen – als houder van een permanente verblijfsvergunning of als partner van een Oekraïense onderdaan – die nog steeds tijdelijke bescherming krijgt. Ook is het oordeel over het eindigen van de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 juist: de staatssecretaris mocht het terugkeerbesluit baseren op de Afdelingsuitspraak van 17 januari 2024. Eiser heeft geen nieuwe informatie of standpunten aangedragen waarmee de Afdeling geen rekening heeft gehouden. De Richtlijn verplicht ook niet tot de verstrekking van een verblijfsvergunning aan tijdelijk beschermden. Tot slot was de staatssecretaris, gelet op artikel 4:11 van de Awb, niet gehouden om eiser naar aanleiding van het nieuwe terugkeerbesluit opnieuw in de gelegenheid te stellen om met een zienswijze individuele omstandigheden aan te laten voeren.

Betrokken advocaten

mr. E.J.L. van de Glind

eiser

Glind Advocaten, HEERLEN

mr. A.A. Wildeboer

eiser

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

28 maart 2024

Zaaknummer

NL23.29253 en NL24.9702

Procedure

Eerste aanleg - meervoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2024:4375

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBDHA:2026:8395
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8415
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8386
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8440
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8438
Rechtbank Den Haag·9 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht