ECLI:NL:RBDHA:2025:11173, Rechtbank Den Haag, 18-06-2025, NL24.20453 — RBDHA:2025:11173
Samenvatting
Een moeder en drie minderjarige kinderen verblijven al sinds 2009 in Nederland. Het staat vast dat de moeder van drie minderjarige kinderen nalatig is geweest door zich niet beschikbaar te houden voor vertrek. De vraag is of deze nalatigheid, gelet op de gevolgen die dat voor de kinderen heeft, niet onevenredig bezwarend zijn. De minister had de in de BIC-rapporten neergelegde bevindingen over de ontwikkeling van de kinderen moeten meewegen in de beoordeling. De Afdeling heeft hiertoe in een eerdere uitspraak ook opdracht gegeven. De minister heeft niet onderkend dat de bevindingen in de BIC-rapporten moeten worden beoordeeld op evenredigheid, los van de vraag of het aan de moeder te verwijten valt dat zij buiten beeld is gebleven. Het tijdsverloop is relevant voor de beantwoording van de vraag in hoeverre het handelen en nalaten van de moeder (nog steeds) aan eisers kan worden toegerekend. Het beroep is gegrond, omdat de minstier onvoldoende kenbaar is ingegaan op de omstandigheden, zoals discontinuïteit, instabiliteit en gebrek aan toekomstperspectief van het gezin. De problemen zijn dermate ernstig dat ontwikkelingsschade zichtbaar begint te worden.
Betrokken advocaten
mr. J. Raaijmakers
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1731, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL26.3607
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1730, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL26.3103
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1601, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL26.3791
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1918, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL26.205
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
18 juni 2025
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL24.20453
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:11173